ECLI:NL:RBDHA:2025:6747
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid terugkeer en binding met Turkije
Eiseres, een Turkse staatsburger, verzocht om een visum kort verblijf om haar zoon in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen vanwege onvoldoende aannemelijkheid van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over tijdige terugkeer naar Turkije. Na bezwaar bleef de minister bij zijn standpunt.
Eiseres voerde aan dat zij wel degelijk sociale en economische bindingen met Turkije heeft, waaronder eigendom van onroerend goed en familiecontacten, en dat de minister ten onrechte onderscheid maakte tussen alleenstaande en verzorgende familieleden. Tevens stelde zij dat de hoorplicht niet was nageleefd en dat een bestuurlijke dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat inmiddels op het bezwaar was beslist. De rechtbank stelde dat de minister in redelijkheid mocht concluderen dat eiseres onvoldoende sociale en economische binding met Turkije had aangetoond en dat er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer. De hoorplicht mocht worden beperkt omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De visumaanvraag werd daarom terecht afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit op bezwaar is ongegrond verklaard; de visumaanvraag is afgewezen.