Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de minister vastgestelde ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel, die was vastgesteld op 8 augustus 2023. Eiser stelde dat de juiste ingangsdatum 2 augustus 2023 is, de datum waarop hij zich meldde bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en zijn asielwens kenbaar maakte.
De minister voerde aan dat het tijdsverschil van zes dagen te gering was om belang te hebben bij het beroep en verzocht om niet-ontvankelijkheid. De rechtbank oordeelde echter dat eiser wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling, omdat een eerdere ingangsdatum gevolgen kan hebben voor latere verblijfsaanvragen en verstrekkingen.
Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2025, waarin werd bepaald dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens kenbaar maakt, stelde de rechtbank vast dat de ingangsdatum op 2 augustus 2023 moet worden vastgesteld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betrof en stelde zelf de ingangsdatum vast op 2 augustus 2023. Tevens veroordeelde zij de minister tot betaling van de proceskosten van €907,- aan eiser.