Eiseres had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis. De rechtbank had in een eerdere uitspraak van 19 augustus 2024 een beslistermijn van twintig weken aan de minister opgelegd om op deze aanvraag te beslissen. Deze termijn is echter verstreken zonder dat de minister een besluit heeft genomen.
De rechtbank overweegt dat het beroep van eiseres ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer een besluit zal volgen.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarendheid zou wegnemen. De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt hieraan een dwangsom van €250 per dag, met een maximum van €37.500. De rechtbank stelt vast dat er geen nieuwe bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd, maar bevestigt de eerder vastgestelde dwangsom van €1.442.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van €453,50 voor proceskosten en wordt het betaalde griffierecht van €194 vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 15 april 2025.