Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis en familie- en gezinshereniging, waarbij de rechtbank eerder een beslistermijn van twee weken had gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de termijn uit de eerdere uitspraak inmiddels was verstreken. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank legt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €453,50.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarendheid wegneemt. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 15 april 2025.