ECLI:NL:RBDHA:2025:6859

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
NL24.20937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor eiseres en hun minderjarige zoon. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de minister binnen twee weken moest beslissen, maar dit is niet nagekomen.

Na een tweede beroep heeft de minister alsnog de aanvragen ingewilligd. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Omdat het beroep terecht was ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen, veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten en het betaalde griffierecht.

De proceskosten worden vastgesteld op €453,50, gebaseerd op een puntensysteem met een lichte wegingsfactor, en het griffierecht op €187. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: Beroep tegen niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, minister veroordeeld in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.20937
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

[eiser], eiser,
hierna tezamen: eisers,
(gemachtigde: mr. B.W.C. van Geet)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben op 10 november 2023 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvragen van eiser om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor eiseres en hun minderjarige zoon, [naam] , van 19 april 2023.
Bij uitspraak van 14 februari 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch het beroep van 10 november 2023 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit op de aanvragen te nemen. [1]
Op 15 mei 2024 hebben eisers opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvragen.
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft verweerder de aanvragen van eisers ingewilligd.
Desgevraagd hebben eisers op 6 augustus 2024 aan de rechtbank meegedeeld dat zij bereid zijn het beroep in te trekken op het moment dat verweerder bereid is de proceskosten en het betaalde griffierecht te vergoeden.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen besluit heeft genomen binnen de door de rechtbank gestelde termijn. Nu verweerder niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn heeft besloten en de aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingewilligd, is verweerder geheel aan het beroep van eisers toegekomen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2. Omdat eisers vanwege het niet tijdig beslissen terecht beroep hebben ingesteld, ziet de rechtbank de aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [3] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Daarnaast moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met het ECLI-nummer: ECLI:NL:RBOBR:2024:508.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.