Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een nareisaanvraag van eiseres waarop de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn van vier weken is gesteld. Omdat de minister deze termijn heeft overschreden zonder herstel verzuim te bieden of een besluit te nemen, verklaart de rechtbank het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond.
De minister verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken na ontvangst van een reactie op het herstel verzuim, omdat nader onderzoek mogelijk noodzakelijk is. De rechtbank stemt hiermee in en stelt dat indien geen nader onderzoek nodig is, de minister binnen vier weken na ontvangst van de reactie moet beslissen, en anders binnen zestien weken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €250 per dag op, met een maximum van €37.500, voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden op 22 april 2025.