Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel vanwege seksueel misbruik en mishandeling door vier mannen in zijn geboortedorp. Hij vreesde bij terugkeer voor voortzetting van het misbruik en vervolging vanwege mogelijke openbaring van compromitterende video's en vermeende homoseksualiteit.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege tegenstrijdigheden en inconsistenties in eisers verklaringen, met name over zijn leeftijd, het tijdstip van het misbruik, het ontstaan van een litteken op zijn hoofd en het werk van zijn moeder. Eiser voerde aan dat deze tegenstrijdigheden verklaarbaar zijn door vergissingen en vertaalfouten en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij zijn asielverzoek niet geloofwaardig achtte.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verklaringen over de kern van het asielrelaas ongeloofwaardig mocht vinden, met name de wisselende verklaringen over leeftijd en tijdlijn van het misbruik. De rechtbank vond echter dat verweerder ten onrechte niet had meegewogen dat eiser geen aangifte deed of hulp zocht vanwege omstandigheden in Pakistan. Het binnenlands beschermingsalternatief werd niet verder getoetst omdat verweerder geen gegronde vrees voor vervolging aannam.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak kan worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.