Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Vreijsen).
Samenvatting
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met Iraakse nationaliteit, diende op 11 december 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister verklaarde deze aanvraag op 31 januari 2025 niet-ontvankelijk omdat uit Eurodac en de reactie van Roemeense autoriteiten bleek dat eiser sinds 19 januari 2021 internationale bescherming geniet in Roemenië.
Eiser stelde dat zijn verblijfsvergunning in Roemenië was verlopen en dat hij geen verlengingsverzoek had ingediend, waardoor hij geen aanspraak meer zou kunnen maken op voorzieningen. Ook vreesde hij intrekking van zijn subsidiaire beschermingsstatus vanwege zijn vertrek naar Nederland. De rechtbank oordeelde echter dat het verlopen van de verblijfsvergunning niet automatisch betekent dat de bescherming is ingetrokken, aangezien een individuele beoordeling vereist is voor intrekking.
Eiser voerde aan dat terugkeer naar Roemenië zou leiden tot onmenselijke behandeling vanwege onvoldoende voorzieningen voor statushouders. De rechtbank stelde vast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat uit het AIDA-rapport blijkt dat statushouders toegang hebben tot werk, gezondheidszorg en sociale voorzieningen. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij buiten zijn wil in een situatie van materiële deprivatie zou verkeren.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.