ECLI:NL:RBDHA:2025:7087

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2025
Publicatiedatum
28 april 2025
Zaaknummer
NL25.15975
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Grondrechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, diende op 8 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Duitsland had eerder op 8 augustus 2022 een verzoek tot internationale bescherming van eiser ontvangen en het terugnameverzoek van Nederland geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat hij niet opnieuw een asielaanvraag in Duitsland kan indienen vanwege risico op schending van het non-refoulementbeginsel en verwees naar het arrest Jawo en artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat er sprake is van een disproportionele hardheid.

De rechtbank overwoog dat Duitsland via het claimakkoord garanties heeft gegeven over de behandeling van de asielaanvraag conform internationale normen. Het beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening werd afgewezen omdat geen bijzondere individuele omstandigheden waren aangetoond. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15975

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 4 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2001. Eiser heeft op 8 januari 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, [1] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 8 augustus 2022 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 3 februari 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op [datum] 2025 door Duitsland aanvaard. [3]
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij opnieuw een asielaanvraag in Duitsland indient. Ten onrechte heeft verweerder overwogen dat er voldoende op eisers verklaringen is ingegaan in het bestreden besluit. Verweerder heeft eisers verklaringen ten onrechte geïnterpreteerd dat geen sprake is van dreigende refoulement bij terugkeer van eiser naar Irak. Volgens eiser is zijn beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en het Jawo-arrest [4] dan ook ten onrechte afgewezen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat eiser eerder een asielaanvraag in Duitsland heeft gedaan. In zijn algemeenheid mag verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van Pro het Handvest [5] of artikel 3 van Pro het EVRM. [6] Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest, is sprake indien de tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
5. Door middel van het claimakkoord heeft Duitsland gegarandeerd dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld een (opvolgende) asielaanvraag in te dienen en dat deze asielaanvraag zal worden behandeld in overeenstemming met de internationale wet- en regelgeving. Verweerder is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op eisers verklaringen en heeft in dat verband terecht overwogen dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat de omstandigheden voor Dublinterugkeerders zo slecht zijn dat eiser, gezien het arrest Jawo, niet naar Duitsland teruggestuurd zou mogen worden. Voor zover eiser een beroep doet op strijd met het refoulementbeginsel, slaagt dit niet. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 [7] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [8] In het bestreden besluit wordt ook terecht overwogen dat als eiser problemen ervaart tijdens zijn asielprocedure, het aan hem is om hierover bij de (hogere) Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. [9]
7. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Duitsland vanwege onevenredige hardheid. Verweerder heeft in het bestreden besluit voorts uitgebreid gemotiveerd aan de hand van eisers verklaringen in het aanmeldgehoor en de zienswijze waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bovendien zijn de verklaringen van eiser niet nader onderbouwd met documenten. In de door eiser aangedragen omstandigheden heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 april 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU nr. 604/2013).
3.Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
5.Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
9.Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.