ECLI:NL:RBDHA:2025:715
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlenging overdrachtstermijn in Dublinprocedure en afwijzing voorlopige voorziening
In deze bestuursrechtelijke zaak staat het beroep van eiser centraal tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening. De minister verlengde de overdrachtstermijn aanvankelijk met de motivering dat eiser was gevangengezet, maar wijzigde dit later naar onderduiken. De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste besluit niet ontvankelijk omdat het tweede besluit de motivering herstelde.
De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de overdrachtstermijn terecht is toegepast op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat eiser doelbewust buiten bereik bleef door niet te verschijnen voor een geplande vlucht en als met onbekende bestemming te zijn geregistreerd. De stellingen van eiser dat hij zich niet onderdook en dat de motivering onvoldoende is, worden verworpen.
De rechtbank bevestigt dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag sinds mei 2024 en dat de overdracht aan Spanje mag plaatsvinden. Het verzoek om een voorlopige voorziening om de overdracht te voorkomen wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser voor het eerste beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; eiser mag worden overgedragen aan Spanje.