Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een visum kort verblijf voor familiebezoek door de minister van Buitenlandse Zaken. De minister verklaarde het bezwaar kennelijk ongegrond zonder eisers te horen, omdat volgens hem het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte is afgeweken van de hoorplicht, omdat er onvoldoende duidelijkheid was over de sociale en economische binding van eiseres met Marokko en de terugkeer naar dat land. De minister had eisers moeten horen om onduidelijkheden weg te nemen en aanvullende bewijsstukken te verkrijgen.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De minister moet binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar nemen na het horen van eisers. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eisers.