ECLI:NL:RBDHA:2025:7192
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening en discretionaire bevoegdheid
Eiser, een Syrische nationaliteit, diende op 25 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in, nadat hij op 10 september 2024 in Polen asiel had aangevraagd. Nederland verzocht Polen om zijn terugname op basis van de Dublinverordening, welke door Polen werd aanvaard. Verweerder besloot de aanvraag niet te behandelen omdat Polen verantwoordelijk is en er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een onevenredige hardheid zouden opleveren.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen gebruik werd gemaakt van de discretionaire bevoegdheid onder artikel 17 van Pro de Dublinverordening, onder meer vanwege slechte behandeling in Polen, waaronder gedwongen vingerafdrukken, slechte leefomstandigheden, mishandeling en familiebanden in Nederland.
De rechtbank overwoog dat de Afdeling bestuursrechtspraak recentelijk had bevestigd dat verweerder niet verplicht is om in beleid nadere invulling te geven aan begrippen als mededogen en humanitaire gronden, en dat het aan verweerder is om in individuele gevallen te motiveren waarom van discretionaire bevoegdheid al dan niet gebruik wordt gemaakt. De door eiser gestelde omstandigheden zijn beoordeeld binnen het interstatelijk vertrouwensbeginsel en leiden niet tot een onevenredige hardheid zonder concrete medische onderbouwing.
De rechtbank concludeerde dat verweerder het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet te behandelen blijft in stand.