ECLI:NL:RBDHA:2025:7314
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 4 februari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling, aangezien eiser daar eerder asiel heeft aangevraagd. Eiser betoogde dat hij bij overdracht aan Zweden vreest uitgezet te worden naar Pakistan en dat het besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd is genomen.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid. De minister heeft in het standaardvoornemen en het besluit de overwegingen duidelijk uiteengezet, waaronder het interstatelijke vertrouwensbeginsel en de mogelijkheid voor eiser om een klacht in te dienen bij de Zweedse autoriteiten. De rechtbank ziet geen bijzondere, individuele omstandigheden die overdracht aan Zweden onredelijk maken, zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.