ECLI:NL:RBDHA:2025:7390

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
NL24.44028
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling minister wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag

Verzoeker heeft op 10 november 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Op 28 november 2024 heeft de minister alsnog de asielaanvraag ingewilligd. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De minister heeft niet gereageerd op het verzoek tot proceskostenvergoeding, waaruit de rechtbank afleidt dat er geen bezwaar is tegen betaling. De rechtbank bepaalt dat de proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een vast bedrag betreft, omdat verzoeker een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld.

Gezien de lichte aard van de zaak en het beperkte belang past de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 toe, waardoor de vergoeding uitkomt op €453,50. Er zijn geen andere kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier N. Khalloufi op 5 februari 2025.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoeker wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44028
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de Minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De minister heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen.2
3. Verzoeker heeft op 10 november 2024 beroep ingesteld, omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag. Op 28 november 2024 heeft de minister aan verzoeker laten weten zijn asielaanvraag in te willigen. Verzoeker heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
4. De minister heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat de minister er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te betalen.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 februari 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.