Deze uitspraak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 14 augustus 2024 waarin een beslistermijn van acht tot twintig weken aan de minister was opgelegd.
De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep van eiser gegrond wordt verklaard. De rechtbank wijst een verzoek van de minister om aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer alsnog een beslissing wordt genomen.
De rechtbank legt de minister op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 250,- betalen, met een maximum van € 37.500,-. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, die worden vastgesteld op € 453,50.
De bestuurlijke dwangsom uit eerdere procedures wordt in deze zaak niet vastgesteld, omdat de wetgever niet heeft voorzien in een nieuwe dwangsom bij het opnieuw niet tijdig beslissen. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya en is op 16 april 2025 in het openbaar uitgesproken.