Eiser diende op 7 augustus 2023 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De Minister van Asiel en Migratie (verweerder) heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van 90 dagen beslist en verlengde deze termijn met drie maanden. Eiser stelde verweerder op 9 februari 2024 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Verweerder moet binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen, tenzij binnen die termijn nader onderzoek wordt aangekondigd, waarna de termijn twintig weken bedraagt. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- voor elke dag overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank stelt de reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-, omdat 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak af, omdat dit de prikkel voor verweerder om tijdig te beslissen zou wegnemen.