AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens overschrijding maximale beslistermijn asielaanvraag met oplegging dwangsom
Eiseres diende op 16 maart 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest in beginsel binnen zes maanden beslissen, maar verlengde deze termijn met negen maanden op grond van een besluit dat geldt voor aanvragen tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024. De maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in de Procedurerichtlijn, werd echter overschreden.
De minister had op 28 april 2023 een verzoek gedaan aan Italië om eiseres over te nemen, maar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) oordeelde op 26 april 2023 dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Italië niet langer geldt vanwege problemen met opvangfaciliteiten. Hierdoor werd de minister verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres stelde de minister op 2 december 2024 in gebreke en stelde daarna beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond, oordeelde dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen en legde een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 453,50. De rechtbank wees erop dat de termijn van 21 maanden strikt moet worden nageleefd en dat het belang van een snelle en zorgvuldige besluitvorming in de afweging wordt meegenomen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een termijn van acht weken op voor besluitvorming en een dwangsom bij overschrijding.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50893
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 16 maart 2023. In beginsel beslist de minister binnen zes maanden na ontvangst op de aanvraag.3 Dit is anders indien de minister onderzoekt of hij de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening mogelijk een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is.4 Op 28 april 2023 heeft de minister Italië verzocht om eiseres over te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben dit verzoek op 29 juni 2023 (fictief) geaccepteerd.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.5 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
5. Dit betekent dat vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiseres niet mogelijk was, de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van haar asielaanvraag. De rechtbank stelt vast dat dit voor de minister in ieder geval duidelijk was na de uitspraak van de ABRvS van 26 april 2023.
6. De minister moest in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na 26 april 2023 op de aanvraag beslissen. Echter, sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.6 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De asielaanvraag van eiseres valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. De beslistermijn in haar geval is dus met negen maanden verlengd en verliep in dit geval dus op 27 juli 2024. Eiseres heeft de minister op 2 december 2024, dus na het verstrijken van die termijn, in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep van eiseres is dus ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7
8. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk gegrond. Uit beschikbare stukken blijkt dat eiseres in deze zaak nog niet (nader) is gehoord. De rechtbank stelt verder vast dat de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, al is verstreken. Dit artikellid bepaalt dat de lidstaten de behandelingsprocedure in elk geval uiterlijk binnen een termijn van 21 maanden na de indiening van de asielaanvraag afronden.
9. De rechtbank overweegt dat de termijn van 21 maanden ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.8 De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.
10. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om binnen deze termijn op zorgvuldige wijze een besluit te nemen. Omdat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere nadere beslistermijn op dan de ABRvS met het 8+8-wekenmodel heeft ontwikkeld in haar uitspraak van 8 juli 20209.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
11. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet-naleven daarvan een dwangsom.10 Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 vanPro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) is bepaald dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 202211 geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend is. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en dat de bestuursrechter aan het niet naleven door de minister een dwangsom verbindt.
12. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.12 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om
bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Khalloufi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 februari 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.