Deze uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was door de rechtbank een termijn van twaalf weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. De minister heeft deze termijn en de wettelijke maximale beslistermijn van 21 maanden overschreden zonder geldige reden.
Hoewel de minister een besluitmoratorium voor asielaanvragen uit Libanon had ingesteld, is de maximale beslistermijn inmiddels verstreken, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is. De rechtbank legt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de opgelegde termijn en acht het mogelijk dat de minister binnen deze termijn tot een zorgvuldige besluitvorming komt.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N. Khalloufi en is op 19 maart 2025 in het openbaar bekendgemaakt.