ECLI:NL:RBDHA:2025:7480

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
AWB 24/20458
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit verblijfsvergunning familie en gezin

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel 'familie en gezin' af te wijzen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.

De zaak werd buiten zitting afgedaan nadat partijen toestemming hadden gegeven op grond van artikel 8:57 Awb Pro. De minister stelde zich niet verzet tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat uitzetting in deze fase niet passend is en schorst het primaire besluit. De minister wordt verboden verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens worden de proceskosten van verzoekster toegewezen.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het uitzettingsbesluit geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20458

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.E. van Diepen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om toekenning van een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek zou op 10 april 2025 op zitting worden behandeld. Echter hebben partijen de voorzieningenrechter op voorhand toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op 10 april 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De minister heeft in een brief van 9 april 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
3. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster in deze fase behoort te worden afgezien, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe en verbiedt de voorzieningenrechter de minister om verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit en verbiedt de minister verzoekster uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.