ECLI:NL:RBDHA:2025:7579
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag heeft op 2 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was op 11 februari 2025 opgelegd en eerder getoetst bij uitspraak van 3 maart 2025.
De rechtbank beoordeelde uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek op 25 februari 2025. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, onder meer omdat uit de voortgangsrapportage niet bleek dat de minister had gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten en dat er slechts drie vertrekgesprekken hadden plaatsgevonden. Tevens werd betoogd dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend had gehandeld. Uit de rapportage bleek dat op 11 maart, 19 maart en 10 april 2025 was gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten en dat de nationaliteit van eiser op 18 april 2025 was bevestigd. Bovendien was voor 6 mei 2025 een vlucht geboekt. De rechtbank vond dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.