ECLI:NL:RBDHA:2025:7579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.17726
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

De rechtbank Den Haag heeft op 2 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel was op 11 februari 2025 opgelegd en eerder getoetst bij uitspraak van 3 maart 2025.

De rechtbank beoordeelde uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het onderzoek op 25 februari 2025. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld, onder meer omdat uit de voortgangsrapportage niet bleek dat de minister had gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten en dat er slechts drie vertrekgesprekken hadden plaatsgevonden. Tevens werd betoogd dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voldoende voortvarend had gehandeld. Uit de rapportage bleek dat op 11 maart, 19 maart en 10 april 2025 was gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten en dat de nationaliteit van eiser op 18 april 2025 was bevestigd. Bovendien was voor 6 mei 2025 een vlucht geboekt. De rechtbank vond dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en wees het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17726

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 11 februari 2025.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 3 maart 2025. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Ook heeft de minister de verslagen van de vertrekgesprekken van 13 februari 2025, 17 maart 2025 en van 14 april 2025 overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 3 maart 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank alleen de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek, op 25 februari 2025.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld en is er voldoende zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In dit kader voert eiser aan dat uit de voortgangsrapportage niet blijkt dat de minister heeft gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten. Ook voert eiser aan dat er slechts drie vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. Verder heeft de minister geen handeling verricht met betrekking tot het uitzetten van eiser. Eiser betoogt dat hieruit volgt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Uit de voortgangsrapportage van 24 april 2025 blijkt dat de minister op 11 maart 2025, 19 maart 2025 en op 10 april 2025 heeft gerappelleerd bij de Griekse autoriteiten en dat de nationaliteit van eiser op 18 april 2025 is bevestigd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat er voor eiser een vlucht is geboekt op 6 mei 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp Arnhem, 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3494.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.