ECLI:NL:RBDHA:2025:7589

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL24.41718
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, vierde lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000artikel 46, derde lid, Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige gedwongen rekrutering door Al-Shabaab

Eiser, een Somalische minderjarige, verzocht asiel na te zijn ontsnapt aan een vermeend gedwongen rekruteringstrainingkamp van Al-Shabaab. Hij stelde dat hij vanwege deze situatie en de dreiging van Al-Shabaab niet kon terugkeren naar Somalië. De minister wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende bewijs van een reëel risico.

De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van de toen 15-jarige eiser. Het beroep om de behandeling aan te houden vanwege prejudiciële vragen werd afgewezen omdat deze niet relevant waren voor de specifieke omstandigheden van eiser.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de gedwongen rekrutering ongeloofwaardig achtte, mede vanwege tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van bewijs dat Al-Shabaab effectief de macht had in de woonplaats van eiser in de relevante periode. Ook het risico op ernstige schade bij terugkeer werd niet aannemelijk gemaakt.

Daarom bleef de afwijzing van de asielaanvraag in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige gedwongen rekrutering en onvoldoende risico op ernstige schade bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41718

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. D. Gökcan).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. Hij heeft op 12 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser woonde bij zijn oma op het platteland buiten [plaats 1] in Somalië. Op een dag ging eiser met zijn oom naar een moskee in [plaats 1] voor het middaggebed. De oom van eiser vertrok en eiser moest van zijn oom in de moskee blijven. Eiser raakte met vier andere jongens in gesprek met een docent van de Koranschool. De docent vroeg de jongens, en dus ook eiser, om mee te gaan naar een lezing. Eiser is vervolgens gedwongen meegenomen naar een trainingskamp van Al-Shabaab waar ze hem wilde rekruteren voor de strijd. Eiser werd daar geslagen en vastgehouden in een kamer. Na vier dagen wist eiser te ontsnappen. Tijdens de vlucht kon eiser met een man mee naar huis. Bij dat huis heeft de oom van eiser hem opgehaald en is met hem naar [plaats 2] gegaan. Vanaf daar is eiser met een vrouw naar [plaats 3] gegaan. In [plaats 3] is eiser door een man meegenomen. Na een paar dagen heeft eiser zijn oma gebeld. Zijn oma vertelde dat Al-Shabaab bij hen thuis was geweest en dat zijn oom door Al-Shabaab was neergeschoten. Ook vertelde zijn oma dat eiser niet meer terug kan keren omdat meensen van Al-Shabaab op zoek zijn naar hem en hem willen vermoorden. De volgende dag is eiser gevlucht uit Somalië.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
gedwongen rekrutering door Al-Shabaab.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gedwongen rekrutering van eiser door Al-Shabaab acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser over zijn gedwongen rekrutering door Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder blijkt niet uit de verklaringen van eiser dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en daarmee vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade, aldus de minister.
Verzoek om aanhouding landeninformatie Vluchtelingenwerk Nederland
6. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep aan te houden in afwachting van recente landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland. Deze landeninformatie gaat over de aanwezigheid van Al-Shabaab in de regio [plaats 1] in de periode dat eiser daar verbleef. Dit gaat over de periode eind 2022 en begin 2023 tot heden. Eiser geeft in de beroepsgronden aan deze informatie binnen twee tot vier weken aan te kunnen leveren.
6.1.
Gemachtigde heeft dit verzoek op de zitting ingetrokken, omdat hij inmiddels de stukken had overgelegd. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen nadere bespreking.
Verzoek om aanhouding prejudiciële vragen
7. Eiser verzoekt de rechtbank de behandeling van zijn beroep aan te houden tot het Hof van Justitie de door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, [1] gestelde prejudiciële vragen over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in Werkinstructie (WI) 2024/6 heeft beantwoord. Eiser betoogt dat de uitkomst van die procedure in zijn procedure ook van belang is.
7.1.
De minister heeft op de zitting toegelicht dat geen reden bestaat om het beroep aan te houden. De minister stelt zich op het standpunt dat de op eiser toegepaste WI 2024/6 niet wezenlijk verschilt van de vorige werkinstructie (WI 2014/10). Ook heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, [2] en de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, [3] de werkinstructie inmiddels goedgekeurd en bevestigen deze uitspraken dat er geen wezenlijk verschil is tussen WI 2014/10 en WI 2024/6.
7.2.
De rechtbank ziet geen reden om het beroep in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen aan te houden. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag over authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve bronnen, is het antwoord op die vraag in geval van eiser niet relevant. Eiser heeft geen bewijsmiddelen om zijn verklaring over de gedwongen rekrutering door Al-Shabaab te onderbouwen, dus de in de verwijzingsuitspraak beschreven situatie van het uitsluiten van bewijsmiddelen is alleen daarom al niet aan de orde.
Ten aanzien van de tweede vraag of de rechter ambtshalve een volledig en ex-nunc onderzoek van de zowel de feitelijke als juridische gronden dient te verrichten, inhoudende dat de rechter ook onderzoek moet verrichten naar de behoefte aan internationale bescherming, overweegt de rechtbank dat bestaande rechtspraak van het Hof geen aanknopingspunten biedt voor een dergelijke uitleg van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn en nog moet blijken of het Hof de rechtbank zal verplichten tot een dergelijk ambtshalve onderzoek. De rechtbank kan en zal daarop niet vooruitlopen en zal het beroep toetsen, zoals gebruikelijk, aan de hand van de door eiser aangedragen beroepsgronden.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
8. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. [4] Volgens eiser wordt in het voornemen slechts benoemd dat niet van hem verwacht wordt dat hij concrete data en tijd kan aangeven, alleen blijkt niet uit het bestreden besluit op welke manier rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser was verder ten tijde van de gedwongen rekrutering vijftien jaar oud was. Dat hij een onlogische keuze heeft gemaakt door met de Korandocent mee te gaan, kan gezien zijn leeftijd niet worden tegengeworpen. Ook het niet stellen van vragen aan zijn oom nadat eiser uit het kamp was ontsnapt, kan eiser gezien zijn leeftijd niet worden tegengeworpen. Verder kan de minister van een 15-jarige niet verlangen zich te herinneren of hij door zijn oom met een auto of vrachtwagen werd opgehaald. Ook verklaart de leeftijd van eiser en de hoeveelheid stress die hij ten tijde van de gedwongen rekrutering heeft ervaren waarom eiser niet veel kan verklaren over zijn verblijf in de garage.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Van tevoren is eiser gevraagd om aan te geven als er tijdens het gehoor vragen waren waar hij moeite mee had, of als hij een vraag niet begreep. [5] Uit het rapport van het nader gehoor is niet gebleken dat eiser bepaalde vragen niet begreep of niet voldoende kon beantwoorden vanwege zijn referentiekader. Waar nodig zijn aan eiser vragen ter verduidelijking gesteld. Niet ten onrechte stelt de minister dat van eiser niet verwacht wordt dat hij concrete data en tijdstippen met betrekking tot zijn asielrelaas kan geven, maar dat wel van hem mag worden verwacht dat hij consistent kan verklaren. De rechtbank ziet niet in op welke wijze de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. De minister mocht het daarbij opmerkelijk vinden dat eiser zich niet kon herinneren of hij door zijn oom met de auto of vrachtauto werd opgehaald en het opmerkelijk vinden dat eiser niet veel kon verklaren over zijn verblijf in de garage. Verder heeft eiser in beroep ook niet concreet gemaakt in hoeverre zijn referentiekader van invloed is geweest op het afleggen van zijn verklaringen.
Mocht de minister de gedwongen rekrutering van eiser door Al-Shabaab ongeloofwaardig achten?
9. Eiser betoogt dat de minister zijn gedwongen rekrutering door Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht en verzoekt dit als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder betoogt eiser dat de minister ten onrechte het standpunt inneemt dat Al-Shabaab niet aanwezig was in de omgeving [plaats 1] in de periode 2022/2023, dezelfde periode dat eiser daar verbleef. In deze periode is eiser wel degelijk gerekruteerd door Al-Shabaab. Eiser voert aan dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat Al-Shabaab ten tijde van de gedwongen rekrutering aanwezig was in [plaats 1]. [6] Uit het door eiser aangehaalde ambtsbericht [7] en landeninformatie [8] volgt dat Al-Shabaab in de periode 2023-2024 in de omgeving van [plaats 1] aanslagen heeft gepleegd en dat er gevechten hebben plaatsgevonden. Ook volgt hieruit dat Al-Shabaab aanwezig was ten tijde van de gedwongen rekrutering.
Daarnaast betoogt eiser dat de minister te veel waarde hecht aan hetgeen hij bij het AVIM heeft verklaard. Volgens eiser moet in de asielprocedure worden gekeken naar dat wat eiser tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor heeft verklaard. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat eiser zichzelf tegenspreekt. De minister stelt dat het opvallend is dat eiser zijn telefoonnummer wijzigt als hij niet telefonisch bedreigd zou zijn. Volgens eiser blijkt uit het verslag van het AVIM niet dat eiser zijn telefoonnummer naar aanleiding van een telefonische bedreiging heeft gewijzigd. Eiser kan ook een goede andere reden hebben om zijn telefoonnummer te wijzigen.
Tot slot betoogt eiser dat de minister ten onrechte het standpunt inneemt dat eiser bij terugkeer naar Somalië niet te vrezen heeft voor Al-Shabaab. Eiser staat namelijk onder de negatieve belangstelling van Al-Shabaab. Verder blijkt uit de door eiser aangehaalde landeninformatie dat recent sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld in de deelstaat [naam deelstaat] en de stad [plaats 1]. Een reis naar die omgeving zal voor eiser al een reëel risico op ernstige schade inhouden. Ook volgt uit de landeninformatie dat er tot op heden nog steeds gevechten plaatsvinden en dat Al-Shabaab in die omgeving aanwezig is. [9]
9.1.
Voor zover eiser betoogt dat de minister ten onrechte de gedwongen rekrutering door Al-Shabaab ongeloofwaardig acht en dit onderbouwt met een verwijzing naar hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank hier niet verder op in. De minister is in het bestreden besluit al nader ingegaan op deze gronden. De enkele verwijzing van eiser naar de zienswijze, zonder in beroep te onderbouwen waarom eiser het niet eens is met de minister in het bestreden besluit, kan daardoor niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Zoals de minister in het bestreden besluit toelicht is externe landeninformatie betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser, waaronder het gegeven dat Al-Shabaab niet de macht had in het woongebied van eiser. De minister heeft daarbij voldoende gemotiveerd dat eisers verklaringen over de aanwezigheid van Al-Shabaab in [plaats 1] niet overeenkomen met algemene informatie. Uit het meest recente kaartmateriaal blijkt dat eisers woonplaats in een geel gebied ligt en dat het onder controle zou staan van de overheid en dat Al-Shabaab in [plaats 1] nooit de macht heeft gehad. [10] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat in de periode 2022/2023 wel het geval was. De minister wijst er niet ten onrechte op dat uit het algemeen ambtsbericht [11] blijkt dat gedwongen rekrutering door Al-Shabaab voorkomt, maar dit gebeurt in gebieden waar Al-Shabaab effectief de macht heeft. Naar oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat, gelet op de genoemde landeninformatie over Al-Shabaab, dit niet aannemelijk is.
9.3.
Nu de minister op goede gronden heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Al-Shabaab de macht heeft in [plaats 1], heeft de minister ook terecht geconcludeerd dat de gestelde gedwongen rekrutering van eiser ongeloofwaardig is. Daarbij werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat de tegenstrijdige verklaringen afdoet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De verklaringen van het verhoor stroken niet met de verklaringen uit het nader gehoor. Tijdens het verhoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij alleen telefonisch bedreigd is door Al Shabaab. [12] In het nader gehoor verklaart eiser ook enkele dagen vast te zijn gehouden door Al-Shabaab. [13] Eiser is met deze tegenstrijdigheden geconfronteerd en heeft geen verschoonbare reden gegeven voor deze wisselende verklaringen. Dit heeft de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden. Ook werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat eiser geen verschoonbare reden heeft opgegeven voor deze tegenstrijdige verklaringen. De enkele stelling van eiser in de beroepsgronden dat hij wel heeft kunnen ontsnappen aan het trainingskamp van Al-Shabaab en wel Somalië heeft kunnen ontvluchten, maakt dit niet anders. Om diezelfde reden is naar oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië.
Het betoog van eiser dat de minister te veel waarde hecht aan hetgeen eiser bij het AVIM heeft verklaard, maakt het voorgaande niet anders. Daar komt bij dat de minister terecht stelt dat eiser zichzelf tegenspreekt. In het proces-verbaal van verhoor [14] heeft eiser verklaard dat hij door een man telefonisch met de dood is bedreigd. Vervolgens verklaart hij dat hij zijn telefoonnummer heeft gewijzigd. Gezien deze verklaringen van eiser valt niet in te zien waarom eiser een andere reden heeft om zijn telefoonnummer te wijzigen. Het betoog van eiser dat niet uit het verslag van het AVIM valt af te leiden dat hij zijn telefoonnummer naar aanleiding van de bedreigingen heeft gewijzigd, volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd
10. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan hiervoor al besproken, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en Rb. Den Haag 7 januari 2025,
2.Rb. Den Haag 29 november 2024, NL24.39178 (
3.Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19331 en Rb. Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21853.
4.Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar artikel 31, vierde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 en naar Rb. Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17042.
5.Verslag nader gehoor, p. 3.
6.Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023.
7.Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023.
8.Landeninformatie opgesteld door Vluchtelingenwerk Nederland van 4 november 2024, p. 2.
9.Eiser verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023.
10.Ambtsbericht van juni 2023, p. 91.
11.Ambtsbericht van juni 2023.
12.Zie proces-verbaal van verhoor, p. 2.
13.Zie verslag nader gehoor, p. 9 e 10.
14.Zie verslag proces-verbaal van verhoor, p. 2.