ECLI:NL:RBDHA:2025:7591

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.16738
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 50 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 447E Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid van maatregel van bewaring en spoedige rechterlijke beslissing in vreemdelingenrechtelijke zaak

De minister heeft op 8 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 22 en 29 april 2025, waarbij het onderzoek op 22 april werd geschorst wegens late indiening van processtukken door de minister.

Eiser voerde aan dat er geen sprake was van een spoedige rechterlijke beslissing, dat zijn staandehouding onrechtmatig was als verkapt vreemdelingenrechtelijke aanhouding, dat er onrechtmatig gebruik was gemaakt van een niet-registertolk, dat de gronden voor de bewaring onvoldoende waren en dat de inbewaringstelling geen legitiem doel diende. De rechtbank oordeelde dat de rechterlijke beslissing binnen de wettelijke termijnen was genomen, dat de staandehouding een strafrechtelijke grondslag had en geen vreemdelingenrechtelijke, en dat het gebruik van een niet-registertolk gerechtvaardigd was vanwege spoed.

Verder stelde de rechtbank vast dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende waren onderbouwd, met name de zware gronden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen en zich aan toezicht had onttrokken. De inbewaringstelling diende een legitiem doel, namelijk de overdracht van eiser aan Frankrijk op basis van de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16738

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep voor het eerst op 22 april 2025 op zitting behandeld. Omdat de minister de processtukken niet tijdig had ingediend, had de gemachtigde van eiser nog geen kennis kunnen nemen van het dossier. Om die reden is het onderzoek ter zitting geschorst. Het beroep is daarna op 29 april 2025 verder op zitting behandeld. Eiser is op beide zittingen verschenen, met behulp van een videoverbinding, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich op beide zittingen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is er sprake van een spoedige rechterlijke beslissing?
1. Eiser betoogt dat er geen sprake is van een spoedige rechterlijke beslissing. In dit kader voert eiser het volgende aan. Het dossier is onredelijk laat overgelegd door de minister. Hierdoor heeft er op 22 april 2025 geen inhoudelijke behandeling kunnen plaatsvinden en is het onderzoek ter zitting geschorst. Wanneer de minister het dossier wel tijdig zou hebben overgelegd, had de inhoudelijke behandeling van het beroep wel op 22 april 2025 kunnen plaatsvinden en had de rechtbank binnen zeven dagen uitspraak kunnen doen. Eiser verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit blijkt dat de gehele periode vanaf het indienen van het beroep tot het moment van de uitspraak relevant is. [1] Ook verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) waaruit blijkt dat het recht op een spoedige rechterlijke beslissing een fundamenteel rechtsbeginsel is. [2]
1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een spoedige rechterlijke beslissing. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling, waaruit blijkt dat er in dit kader gekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van het geval. [3] De rechtbank stelt vast dat voor het verstrijken van de termijn van veertien dagen, als bedoeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 een aanvang is gemaakt met het horen van eiser. Het beroep is namelijk op 22 april 2025 op zitting behandeld, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. De rechtbank heeft toen overlegd met de gemachtigde van eiser, waarbij de rechtbank heeft aangeboden om het beroep op 24 april 2025 op zitting verder te behandelen. Dit is door de agenda van de gemachtigde van eiser niet gelukt. Hierna heeft de rechtbank het beroep op 29 april 2025 opnieuw op zitting behandeld. De rechtbank stelt vast dat, door de uitspraak van vandaag, uitspraak is gedaan binnen de gestelde termijn van zeven dagen na behandeling van het beroep op zitting, zoals volgt uit artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding?
2. Eiser betoogt dat de staandehouding onrechtmatig was, omdat er sprake is van een verkapt vreemdelingenrechtelijke staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. Van een vermoeden van illegaal verblijf was echter geen sprake. Uit het proces-verbaal van de staandehouding blijkt niet dat voorafgaand aan de staandehouding aan eiser is gevraagd om zijn legitimatiebewijs te tonen, ter uitoefening van de politietaak. Eiser voert aan dat uit het proces-verbaal ook niet blijkt op welke grondslag het verzoek om een legitimatiebewijs te tonen is gedaan. Ook vermeldt het proces-verbaal niet de grondslag voor het identiteitsonderzoek als de grondslag van de staandehouding.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een verkapt vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Uit het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen blijkt immers duidelijk dat de opsporingsambtenaren het identiteitsbewijs van eiser hebben gevorderd omdat zij van de medewerkers Veiligheid van Arriva vernamen dat eiser geen geldig vervoersbewijs en geen identiteitsbewijs kon tonen. Ook blijkt de grondslag voor de strafrechtelijke aanhouding uit het proces-verbaal van de voorgeleiding aan de Hulpofficier van Justitie, namelijk artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat zijn staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van vreemdelingenrechtelijke bevoegdheden. Dit betekent dat de bewaringsrechter hier niet over kan oordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte gebruik gemaakt van een niet-registertolk tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling?
3. Eiser betoogt dat er sprake is van een schending van artikel 5, tweede lid, van het EVRM omdat de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. In dit kader voert eiser aan dat de niet-leveringsverklaring van een registertolk ontbreekt in het dossier, zodat niet (afdoende) is gebleken dat er niet tijdig een registertolk beschikbaar was.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gebruik mogen maken van een niet-registertolk. Op grond van artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers moet de minister gebruik maken van een beëdigde tolk, tenzij er vanwege vereiste spoed geen beëdigde tolk beschikbaar is. Dit moet de minister dan schriftelijk vastleggen in een proces-verbaal. Dit is in onderhavige zaak ook gebeurd, namelijk in het proces-verbaal bevindingen. Hierin staat dat er, op het moment dat eiser gehoord zou worden in het kader van de inbewaringsstelling, op 8 april 2025 om 13.33 uur niet tijdig een beëdigde tolk Amhaars beschikbaar was. Daarom is gebruik gemaakt van een niet-beëdigde tolk Amhaars. De tolk is aangeboden door het tolkencentrum waar de politie in Nederland zaken mee doet en is ook vermeld op de noodlijst. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat er een niet-leveringsverklaring nodig is van het tolkencentrum. De rechtbank ziet namelijk geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal bevindingen. Daarbij heeft de minister op zitting nog terecht opgemerkt dat eiser tijdens het gehoor heeft aangegeven de tolk goed te verstaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte grond vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
4.1.
Eiser heeft zware gronden 3a, 3c, 3d en 3k betwist. Ook heeft eiser lichte grond 4b betwist. Eiser voert aan dat zware grond 3a niet aan hem kan worden tegengeworpen omdat uit de eerdere overdrachten van eiser vanuit Nederland aan Frankrijk niet zonder meer een significant onttrekkingsrisico volgt. Hierdoor is deze grond ondeugdelijk gemotiveerd.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Voor zware grond 3a is het voldoende dat deze feitelijk juist is. [4] Door eiser wordt niet betwist dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser voert enkel aan dat het onttrekkingsrisico niet voldoende is onderbouwd. Dit maakt dat deze grond feitelijk juist is. Eiser heeft zware grond 3b niet betwist, waardoor ook voor deze grond van de feitelijke juistheid kan worden uitgegaan. Deze gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Deze overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de inbewaringstelling van eiser een legitiem doel?
5. Eiser betoogt tot slot dat zijn inbewaringstelling geen legitiem doel heeft. In dit kader voert eiser aan dat zijn inbewaringstelling er niet toe leidt dat eiser niet langer naar Nederland kan reizen of zich onthoudt van het indienen van nieuwe asielaanvragen. Eiser is immers al twee keer overgedragen en komt elke keer weer terug. Hierdoor is de inbewaringstelling van eiser enkel punitief van aard.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de inbewaringstelling van eiser een legitiem doel. Het doel van de inbewaringstelling van eiser is dat eiser wordt overgedragen aan Frankrijk. Hierbij is het van belang dat er een concreet aanknopingspunt is voor de overdracht van eiser, omdat er een overdrachtsbesluit ligt van 5 februari 2025. Ook is de uiterste overdrachtsdatum op 5 februari 2025 tot achttien maanden verlengd. Het enkele feit dat eiser tweemaal eerder is overgedragen aan Frankrijk, waarna hij is teruggekeerd en nieuwe asielaanvragen heeft gedaan, maakt dit niet anders. De minister kan eiser namelijk op grond van de Dublinverordening in bewaring stellen om de overdracht van eiser te bewerkstelligen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.EHRM 21 oktober 1986,
2.ABRvS 8 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2734.
3.ABRvS 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8388.
4.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
5.ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829