ECLI:NL:RVS:2019:2734
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over voortduren vreemdelingenbewaring wegens schending fundamenteel rechtsbeginsel
De vreemdeling werd op 9 mei 2019 en 7 juni 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 9 mei 2019 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 7 juni 2019 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen beide uitspraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep van 11 juni 2019 niet-inhoudelijk had beoordeeld, waardoor het fundamentele recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals gewaarborgd in artikel 5, vierde lid, EVRM, was geschonden. Daarom nam de Afdeling het hoger beroep in die zaak alsnog in behandeling en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling overwoog dat de bewaring vanaf 9 mei 2019 terecht voortduurde op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 en dat er zicht op uitzetting naar Marokko was. Het beroep werd ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen de uitspraak over het besluit van 7 juni 2019 werd bevestigd omdat het geen vragen van algemeen belang bevatte.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 9 mei 2019 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 7 juni 2019 bevestigd.