ECLI:NL:RBDHA:2025:7702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18763 en NL25.18764
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 62 VwArt. 62a VwArt. 94 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen onrechtmatige ophouding, beroep tegen terugkeerbesluit ongegrond

Eiseres, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, werd op 17 april 2025 opgehouden door medewerkers van de gemeente Roermond en verbalisanten op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De ophouding vond plaats naar aanleiding van een BRP-controle op het adres waar zij verbleef. Hoewel verweerder erkende dat de ophouding op een onjuiste grondslag was gebaseerd, stelde de rechtbank vast dat dit leidde tot een onrechtmatige ophouding.

Eiseres voerde aan dat zij rechtmatig verblijf had omdat zij voldoende middelen van bestaan had en in de woning van haar partner verbleef, maar dit werd niet onderbouwd. Het beroep tegen de ophouding werd gegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het terugkeerbesluit, dat een vertrektermijn van 28 dagen oplegde, ongegrond werd verklaard omdat eiseres niet rechtmatig in Nederland verbleef.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen aanspraak kon maken op schadevergoeding omdat zij dit niet uitdrukkelijk had verzocht. Tevens werd vastgesteld dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig was opgelegd en dat er geen sprake was van schending van het non-refoulementbeginsel. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €907 aan eiseres.

Uitkomst: Beroep tegen ophouding gegrond, beroep tegen terugkeerbesluit ongegrond, proceskosten toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.18763 en NL25.18764

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres op 17 april 2025 om 20:49 uur opgehouden. Op diezelfde dag is omstreeks 22:10 uur de vrijheidsbeneming van eiseres beëindigd omdat zij is heengezonden na oplegging van een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen.
Eiseres heeft afzonderlijke beroepen ingesteld tegen de ophouding (NL25.18764) en het terugkeerbesluit (NL25.18763).
Eiseres heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van de beroepen. Eiseres heeft bij de inleidende beroepschriften van 23 april 2025 de gronden van de beroepen ingediend, aangevuld per schrijven van 1 mei 2025. Verweerder heeft op 28 april 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 1 mei 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [datum] 1978 en heeft de Chinese nationaliteit.
2. Eiseres voert in het inleidend beroepschrift gericht tegen de ophouding aan dat de staandehouding en ophouding onrechtmatig zijn. Er was namelijk geen objectief vermoeden van illegaal verblijf. Zij bevond zich in de woning van haar partner, beschikt over voldoende middelen van bestaan en heeft daarmee recht op verblijf.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit voert eiseres aan dat ze dit besluit niet heeft ontvangen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ophouding
3. De beroepsgrond van eiseres dat haar staandehouding onrechtmatig is geweest volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 17 april 2025 volgt dat naar aanleiding van een telefonische melding van twee medewerkers van de gemeente Roermond in verband met een BRP [1] -controle op het adres waar eiseres verbleef, twee verbalisanten eiseres hebben staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid van de Vw. [2] Deze feiten en omstandigheden leveren, anders dan eiseres stelt, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf op. Deze ambtenaren waren op grond van voormeld artikel dan ook bevoegd eiseres staande te houden ter vaststelling van haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
4. Uit de brief van verweerder van 30 april 2025 volgt dat verweerder erkent dat eiseres op een onjuiste grondslag is opgehouden. De juiste grondslag daarvoor zou artikel 50, derde lid, van de Vw, zijn geweest in plaats van artikel 50, tweede lid, van de Vw, de grondslag op basis waarvan zij is opgehouden. Eiseres was namelijk op dat moment in het bezit van een authentiek en geldig Chinees paspoort zodat haar identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld. Volgens verweerder is eiseres hierdoor niet in haar belangen geschaad, omdat ook de juiste grondslag voor ophouding aanwezig was. Dat volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet reden om aan te sluiten bij het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 8 november 2024. [3] De situatie dat beroep wordt ingesteld tegen de ophouding zonder dat aansluitend aan de ophouding een bewaringsmaatregel is opgelegd, moet worden onderscheiden van de situatie waarin beroep wordt ingesteld tegen de oplegging van een bewaringsmaatregel waarbij de rechtbank bij de rechtmatigheidsbeoordeling ook de rechtmatigheid van het voortraject betrekt. In dat laatste geval vindt er een belangenafweging plaats als er gebreken kleven aan de ophouding. Die belangenafweging vindt echter plaats in het kader van de beoordeling of de bewaringsmaatregel rechtmatig is opgelegd en niet of de ophouding zelf al dan niet onrechtmatig is. De rechtbank is daarom van oordeel dat een ophouding op een verkeerde grondslag een onrechtmatige ophouding is.
5. De vraag of eiseres aanspraak maakt op een schadevergoeding komt alleen aan de orde als uitdrukkelijk is verzocht om schadevergoeding. Anders dan in het geval van een beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel uit artikel 94 van Pro de Vw voortvloeit dat dat beroep zich tevens uitstrekt tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding, is dat artikel niet van toepassing op de situatie dat beroep wordt ingesteld tegen de ophouding en de ophouding na beëindiging niet aansluitend is gevolgd door oplegging van een bewaringsmaatregel. Eiseres maakt daarom geen aanspraak op schadevergoeding nu zij hierom niet uitdrukkelijk heeft verzocht.
Terugkeerbesluit
6. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat zij niet in het bezit is gesteld van een (afschrift van) het terugkeerbesluit van 17 april 2025 volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat uit het terugkeerbesluit blijkt dat een afschrift van het betreffende besluit
onmiddellijk aan eiseres is verstrekt. Volgens vaste rechtspraak van
de Afdeling [4] mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid en volledigheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij de vreemdeling tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele stelling van eiseres dat zij niet in het bezit is gesteld van het bestreden besluit is daarvoor onvoldoende.
7. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit niet rechtmatig in Nederland verbleef. Dit betekent dat op haar, op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw in beginsel de verplichting rust Nederland te verlaten. Dit is alleen anders als zich één van de in die bepaling genoemde uitzonderingssituaties voordoet. Eiseres heeft niet gesteld dat daarvan sprake is. Dat eiseres een relatie zou hebben en zou beschikken over voldoende middelen van bestaan heeft zij niet onderbouwd. Nu eiseres geen (procedureel) rechtmatig verblijf heeft in Nederland, heeft verweerder op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw aan eiseres een terugkeerbesluit mogen opleggen.
8. De rechtbank heeft tot slot, gelet op het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 [5] op basis van het dossier ambtshalve beoordeeld of uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in dit geval niet gebleken.
9. Het beroep gericht tegen de ophouding (NL25.18764) is gegrond en het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit (NL25.18763) is ongegrond.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen de ophouding (NL25.18764) gegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot betaling van een bedrag van
€ 907.
- verklaart het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit (NL25.18763) ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die gaat over het terugkeerbesluit kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak voor zover die gaat over de ophouding staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Basisregistratie Personen.
2.Vreemdelingenwet 2000.
4.zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4570.
5.ECLI:EU:C:2024:892.