ECLI:NL:RBDHA:2025:779
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem op 11 december 2024 in bewaring te stellen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde onder meer dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding, dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel werd volstaan, dat het zicht op uitzetting ontbrak en dat de minister niet voortvarend handelde.
De rechtbank oordeelt dat de staandehouding niet verkapt vreemdelingrechtelijk was, maar viel onder algemene politietaken. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een meldplicht, mede gelet op het onttrekkingsrisico en het feit dat eiser als meerderjarig wordt aangemerkt. Er is geen sprake van strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Verder is er zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, aangezien een laissez-passer is aangevraagd en de Algerijnse autoriteiten de aanvraag niet hebben afgewezen. De minister handelt voortvarend door vertrekgesprekken te voeren en de aanvraag in te dienen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.