ECLI:NL:RBDHA:2025:7854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
NL23.8792
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3.109 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.118b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart beroep gegrond wegens schending vergewisplicht bij afwijzing asielaanvraag homoseksuele Iraakse

Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende op 20 juni 2022 zijn derde asielaanvraag in, stellende dat hij vanwege zijn homoseksualiteit en relatie gevaar loopt bij terugkeer naar Irak. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond. De rechtbank beoordeelt het beroep en constateert dat eiser psychische problematiek en verminderd cognitief vermogen heeft, zoals blijkt uit een verklaring van een psycholoog uit 2021.

De staatssecretaris heeft nagelaten een medisch advies in te winnen bij de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht, ondanks aanwijzingen dat dit noodzakelijk was voor een zorgvuldige beoordeling van de geloofwaardigheid van eiser. De rechtbank oordeelt dat hierdoor de vergewisplicht is geschonden en het besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het zorgvuldigheidsgebrek kan het geschil niet finaal worden beslecht. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen 16 weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een medisch advies moet worden ingewonnen en gemotiveerd. De overige beroepsgronden blijven onbesproken. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tevens in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens schending van de vergewisplicht en beveelt hernieuwde besluitvorming met medisch advies.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.8792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1990. Hij heeft op 20 juni 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2023 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenaamde beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgaande procedures
3. Eiser heeft op 30 juli 2015 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 28 maart 2017 afgewezen als ongegrond. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 augustus 2018 onherroepelijk geworden. [1] Op 27 juni 2018 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 maart 2019 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. [2] Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Huidige procedure
4. Eiser heeft op 20 juni 2022 zijn opvolgende asielaanvraag ingediend. Dit betreft zijn derde asielaanvraag.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij een homoseksuele relatie heeft met [naam] ( [naam] ). Deze relatie is nog niet bij de eerdere procedures betrokken. Omdat homoseksualiteit in Irak strafbaar is, loopt eiser bij terugkeer naar Irak naar eigen zeggen gevaar.
5.1.
Volgens de staatssecretaris bevat het asielrelaas de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Betrokkene is homoseksueel geaard.
Het eerste element wordt, net als in de voorgaande procedures geloofwaardig geacht. De gestelde homoseksualiteit van eiser acht de staatssecretaris niet geloofwaardig. Op wat de staatssecretaris daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.
Zorgvuldigheid van het gehoor en de besluitvorming
6. Eiser voert aan dat zowel tijdens het gehoor als de besluitvorming onvoldoende rekening is met zijn (on)vermogen om te verklaren. Uit de verklaring van psycholoog [naam psycholoog] van 5 mei 2021 blijkt dat eiser een jaar lang in therapie is geweest, maar dat dit niet het gewenste effect heeft gehad omdat sprake is van een vermoeden van psychische problematiek en verminderd cognitief vermogen. Verder blijkt uit deze verklaring dat eiser moeilijk kan praten over zijn homoseksualiteit. De staatssecretaris had hierin reden moeten zien om een deskundige te benoemen. Op zitting heeft eiser desgevraagd verduidelijkt dat hij met een deskundige de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) bedoelt. Gelet op de verklaring van psycholoog [naam psycholoog] kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over de startdatum van de relatie met [naam] dan wel summier over de inhoud daarvan, aldus eiser.
6.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat hij in de verklaring van [naam psycholoog] geen reden heeft hoeven zien om aan te nemen dat eiser niet in staat is om te verklaren over zijn gestelde homoseksualiteit. Daartoe acht de staatssecretaris van belang dat in de verklaring geen diagnose wordt gesteld, maar enkel wordt gesproken van een vermoeden. Bovendien blijkt uit de verklaring niet op welke manier het vermoeden van de psycholoog invloed heeft op de mogelijkheid van eiser om te verklaren. Ook hierbij is sprake van een vermoeden wat betreft de invloed die dit mogelijk kan hebben. Op zitting heeft de staatssecretaris hier nog aan toegevoegd dat de verklaring gedateerd is en dat er geen recente medische stukken zijn. Verder wijst de staatssecretaris op de verklaringen van eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag, waarin eiser verklaart op dit moment geen schaamte meer te voelen en het verhaal over zijn seksuele geaardheid te kunnen vertellen zonder angst en verlegenheid. [3] Er was dan ook geen reden om advies te vragen aan het FMMU, aldus de staatssecretaris.
6.2.
Op grond van artikel 3.118b, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, bestaat voor de staatssecretaris geen verplichting een medisch onderzoek aan te bieden aan een vreemdeling die een opvolgende aanvraag heeft ingediend. Dit laat onverlet dat de staatssecretaris op grond van het in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste een besluit zorgvuldig voor te bereiden, is gehouden om in voorkomende gevallen, indien daartoe aanleiding bestaat, een vreemdeling een medisch onderzoek aan te bieden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2011. [4]
6.3.
In de verklaring van psycholoog [naam psycholoog] van 5 mei 2021 staat, voor zover van belang, het volgende:
‘Client komt al een jaar lang op het psychosociaal spreekuur van Dokters van de wereld.
Voornaamste klacht is leren praten over zijn geaardheíd. […] Client komt 1x per twee weken op de afspraken. Client is erg therapietrouw en werkt goed mee. Na een jaar de balans opgemaakt. Er is veel gebeurd in zijn leven maar weinig positíef veranderd ín zijn psychische klachten. Vermoeden van psychische problematíek, verminderd cognitief vermogen. Hierdoor wordt voortgang belemmerd. Eventueel zou een officiële diagnose kunnen verhelderen wat bijvoorbeeld de cognitíeve vermogens zijn van clíent.
Mijn ínschattíng; door ervaríngen uít verleden is er bij client schade ontstaan. Zijn verminderde vermogen om over gevoelens te praten en dingen te overzíen (intelligentie?) kunnen verklaren waarom eerdere gesprekken als ínconsístent zijn bestempeld. Vermoedelíjk
is er een aanleg waardoor cognitieve functies van client vermínderd zijn. Mogelijke stoornissen. Dit betekent dan ook dat verder gevolg met enkel gesprekken weinig tot geen verandering teweeg kunnen brengen. […]”
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van psycholoog [naam psycholoog] tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023 is overgelegd en dat eiser voor dit gehoor niet heeft gevraagd om een medisch onderzoek. Verder merkt de staatssecretaris terecht op dat eiser heeft verklaard dat hij, anders dan voorheen, nu geen schaamte meer voelt om te verklaren over zijn geaardheid. Dit maakt echter niet zonder meer dat de staatssecretaris terecht geen aanleiding heeft gezien om een medisch advies op te vragen. Anders dan de staatssecretaris stelt, blijkt uit de verklaring van [naam psycholoog] immers wél hoe het vermoeden van de psycholoog invloed heeft op de mogelijkheid van eiser om te verklaren. Er wordt immers gesteld dat eiser een verminderd vermogen heeft om over gevoelens te praten en dingen te overzien, hetgeen een verklaring kan zijn waarom eerdere gesprekken als inconsistent zijn bestempeld. De omstandigheid dat de psycholoog spreekt van een vermoeden en dat er geen officiële diagnose is gesteld maakt niet dat hier zonder meer aan voorbij kan worden gegaan. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser er op zitting terecht op gewezen dat uit de verklaring blijkt dat eiser een jaar lang tweewekelijks met de psycholoog heeft gevoerd, zodat dit vermoeden een deugdelijke basis heeft. Ook het feit dat het een gedateerde verklaring betreft maakt niet dat aan de verklaring geen of minder waarde toekomt. Uit de verklaring blijkt immers dat therapie middels enkel gesprekken geen zin heeft. Eiser heeft op zitting aangegeven inmiddels op de wachtlijst te staan voor een nieuwe behandeling, maar dat deze nog niet gestart is. Om deze reden kunnen aan de verklaringen van eiser tijdens het gehoor aanvullende aanvraag dat hij nu wel in staat is om zonder angst en terughoudendheid te verklaren over zijn relatie en gevoelens niet zonder meer doorslaggevende betekenis worden gehecht. Er is immers geen aanleiding om aan te nemen dat de psychische problematiek van eiser zonder behandeling in de tussentijd is verbeterd. De beschreven problematiek acht de rechtbank des te meer van belang omdat de staatssecretaris in haar geloofwaardigheidsbeoordeling waarde hecht aan de naar gesteld summiere verklaringen over de inhoud van zijn relatie met [naam] en zijn vorige partner en zijn gevoelens daarbij. Dat, zoals de staatssecretaris op zitting heeft gesteld, er rekening is gehouden in de besluitvorming met eventuele psychische problematiek, door eiser geen kleine discrepanties tegen te werpen acht de rechtbank, gelet hierop, niet voldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris reden had moeten zien om na het gehoor opvolgende aanvraag alsnog een medisch advies op te vragen bij de FMMU. Daarbij merkt de rechtbank op dat een dergelijk advies niet alleen betrekking heeft op het horen, maar ook op het beslissen. De beroepsgrond slaagt.
6.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht zodat het besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb is genomen. Dit levert een zorgvuldigheidsgebrek op ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen mogelijkheid om dit geschil finaal te beslechten. Het is aan de staatssecretaris om het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet de staatssecretaris onderzoeken wat de medische beperkingen van eiser, die blijken uit de brief van zijn psycholoog van 5 mei 2021, betekenen voor zijn mogelijkheid om te verklaren en de besluitvorming. Hiervoor dient de staatssecretaris nader advies in te winnen bij de FMMU en te motiveren of en zo ja welke gevolgen dit advies heeft voor de geloofwaardigheidsbeoordeling.
7. De overige beroepsgronden laat de rechtbank onbesproken omdat ze het beroep gegrond verklaart. De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen 16 weken een nieuw besluit op eisers asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het stellen van deze termijn houdt de rechtbank rekening met het feit dat de staatssecretaris een medisch advies dient te in te winnen bij het FMMU en dat er mogelijk nog een nieuw gehoor dient plaats te vinden, gevolgd door nieuwe besluitvorming.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Daarom veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 837,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
draagt de staatssecretaris op om binnen 16 weken opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer 201709518/1/V2 (niet gepubliceerd).
2.NL19.2786 (niet gepubliceerd).
3.De staatssecretaris verwijst naar p. 4 en 21 van het rapport gehoor opvolgende aanvraag van 15 maart 2023.