ECLI:NL:RBDHA:2025:7855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
25/5418
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging visumafwijzing wegens onvoldoende motivering voorgeschiedenis en bindingen

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum kort verblijf om familie te bezoeken. De minister weigerde de visa omdat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij het Schengengebied tijdig zouden verlaten, mede vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Qatar.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht twijfelde aan de economische binding, omdat geen duurzaam arbeidscontract was overgelegd bij de aanvraagfase en de sociale binding onvoldoende was onderbouwd. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de voorgeschiedenis van eerdere visumverstrekking was betrokken bij de beoordeling, wat in strijd is met de Awb.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens gebrekkige motivering, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de minister dit gebrek heeft hersteld. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/5418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] eiser

mede ten behoeve van zijn echtgenote en kinderen
V-nummers: [v-nummer]
(gemachtigde: S. Adam),
en

de minister van Buitenlandse Zaken

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen tot het verlenen van een visum kort verblijf voor het bezoeken van eisers oom [familie 1] , referent.
2. De minister heeft de aanvragen van eisers met de besluiten van 14 en15 mei 2024 afgewezen. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt.
3. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2025 het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [familie 3] referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvragen voor een visum kort verblijf. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen heeft kunnen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het besluit
6. Eisers hebben de minister op 2 mei 2024 verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf met als doel verblijf bij [familie 2] . Hij is eisers oom.
7. De minister heeft de visa geweigerd, omdat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, nu sociale en economische binding met Qatar onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Toetsingskader
8. Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de EU volgt dat de minister over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. [1] Dat betekent dat het bestreden besluit door de rechtbank slechts terughoudend kan worden getoetst. Zij beoordeelt of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het Schengengebied te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum.
9. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Qatar dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
Economische binding met Qatar
10. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat er sprake is van een economische binding met Qatar. Eiser heeft in dit verband in beroep een nieuwe verklaring van zijn werkgever [werkgever 1] d.d. 25 februari 2025, ingebracht waaruit blijkt dat er sprake is van een vast contract (an open ended contract). Uit de verklaring blijkt eveneens dat eiser een salaris heeft van - omgerekend - € 7.581,- per maand. Daarover hoeven geen sociale premies meer te worden betaald.
10.1.
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit de bij de visumaanvraag overgelegde werkgeversverklaring d.d. 21 april 2024 en de bankafschriften van QIB Bank d.d. 1 mei 2024 niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk en duurzaam beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen om zelfstandig in zijn onderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien. Er is geen arbeidscontract overgelegd en evenmin zijn er loonstroken overgelegd. In bezwaar is niet gebleken dat eiser de inkomsten voor langere periode en met regelmaat kan genieten. De economische binding is daarom onvoldoende aangetoond.
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiser de economische binding met Qatar onvoldoende heeft onderbouwd en dat redelijke twijfel bestaat dat eiser zal terugkeren.
Bij de visumaanvraag heeft eiser aangegeven dat hij werkzaam is als stakeholder en communication manager. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een werkgeversverklaring van [werkgever 2] , d.d. 21 april 2024, overgelegd waarin is aangegeven dat eiser sinds 26 juni 2023 bij [werkgever 3] werkzaam is en een salaris ontvangt van QAR 30.000,- per maand. Tevens heeft eiser bankafschriften overgelegd van QIB Bank met af- en bijschrijvingen gedurende de periode van 1 januari 2024 tot 30 april 2024. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat uit de door eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar overgelegde stukken niet blijkt dat eiser daadwerkelijk beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen om zelfstandig in zijn onderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien. Eiser heeft ook geen arbeidscontract overgelegd waaruit de duurzaamheid van de gestelde arbeid blijkt. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij inspanningen had moeten verrichten om aan te tonen dat hij duurzaam en regelmatig over inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien. Ook in de vragenlijst ten behoeve van zijn visumaanvraag is eiser erop gewezen dat hij bewijsstukken dient mee te sturen die gaan over het werk en het inkomen van de visumaanvrager. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting erkend dat hij eerst in beroep een verklaring van de werkgever heeft ingebracht waaruit blijkt dat er sprake is van een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, waardoor de minister hiermee geen rekening heeft kunnen houden in de besluitvormingsfase.
Sociale binding met Qatar
11. Verder heeft eiser aangevoerd een mentale en wettelijke zorgplicht jegens zijn moeder te hebben. Eisers moeder heeft in Qatar een verblijfsvergunning die afhankelijk is van eisers verblijfsrecht. Eiser wordt als garantsteller gekwalificeerd door de autoriteiten aldaar. Bovendien gaan eisers twee kinderen naar school in Qatar. Eiser wil dat zijn kinderen het onderwijs in de vertrouwde omgeving in Qatar blijven volgen.
11.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser gezamenlijk met zijn gezinsleden naar Nederland wenst te reizen, waardoor er geen sociale band meer bestaat met Qatar. Niet is gebleken dat eiser een bijzondere zorgplicht heeft jegens in Qatar wonende familieleden. Evenmin is gebleken dat de kinderen van eiser hun school niet elders kunnen voortzetten. De sociale binding is daarom onvoldoende aangetoond.
11.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser tegenover zijn moeder een bijzondere zorgplicht dan wel een verantwoordelijkheid heeft die zodanig is dat op basis daarvan moet worden aangenomen dat er sprake is van een sterke sociale binding. Daarbij heeft de minister tevens waarde mogen hechten aan de omstandigheid dat eisers broer en vader ook in Qatar verblijven zodat niet valt in te zien waarom zij niet voor moeder zouden kunnen zorgen. Eiser heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn moeder daadwerkelijk een van eisers afhankelijk verblijfsrecht heeft.
Dat eisers kinderen in het jaar 2024-2025 zijn ingeschreven aan de [school] te Qatar is evenmin voldoende om substantiële sociale binding met Qatar aan te nemen. Er zijn immers overal scholen en niet is gebleken dat eisers kinderen geen mogelijkheid hebben om hun schooljaar op enig moment te onderbreken en later dan wel elders te hervatten.
Het betrekken van de voorgeschiedenis bij de beoordeling van de visumaanvraag
12. Eiser heeft aangevoerd dat de minister heeft nagelaten de voorgeschiedenis in de beoordeling van de visumaanvraag te betrekken. Eiser heeft eerder toegang gehad tot een aantal lidstaten, waaronder Nederland. Hij is toen tijdig teruggekeerd. Uit de Visumcode kan worden afgeleid dat de voorgeschiedenis relevant kan zijn voor de beoordeling. In eisers geval dient de voorgeschiedenis in zijn voordeel te worden uitgelegd.
12.1.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het feit dat aan eiser eerder in 2018 een Schengenvisum is verstrekt niet maakt dat er nu ook een visum moeten worden verstrekt. Immers elke visumaanvraag dient op zijn eigen voorwaarden te worden getoetst en de vreemdelingen dienen te allen tijde aan alle voorwaarden voor visumafgifte te voldoen. Hiervan is geen sprake.
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dit standpunt ingenomen. Dit is in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. De minister heeft ter zitting aangevuld dat het lange tijd geleden is dat aan eiser een visum is verstrekt, dat was in 2018, en bovendien was het toen verstrekte visum bedoeld voor eiser alleen en verstrekt in het kader van zijn toenmalige werk en niet voor familiebezoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee alsnog voldoende gemotiveerd het feit dat eerder een visum aan eiser is verleend betrokken in de beoordeling van de huidige visumaanvraag.
Hoorplicht
13. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister het bezwaar ten onrechte (kennelijk) ongegrond heeft verklaard en daardoor ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser. Er was sprake van een kansrijk en serieus bezwaar waarbij nieuwe feiten en bewijsstukken zijn ingediend. Eiser verwijst naar drie documenten die hij in bezwaar heeft ingebracht om de sociale en economische binding met Qatar te onderbouwen. Als de minister al dacht dat het bezwaar kennelijk ongegrond was dan had de minister niet moeten vragen om nieuwe documenten. De minister heeft ten onrechte afgezien van het horen, omdat niet op voorhand uitgesloten kon worden dat het bezwaar tot een ander besluit had kunnen leiden. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure en de in artikel 7:3 van Pro de Awb opgenomen gronden dienen terughoudend te worden toegepast. Eiser verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling van 6 juli 2022. [2]
13.1.
De minister acht het bezwaar kennelijk ongegrond. Eiser en referent hebben meer dan voldoende de gelegenheid gehad om de benodigde informatie te verstrekken en de documenten te overleggen. Niet is duidelijk waarom de informatie niet verstrekt zou kunnen worden. Daarom is op grond van artikel 7:3, onder b van de Awb afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb. Ook horen zal immers niets afdoen aan het feit dat eiser geen substantiële sociale en economische binding heeft om tijdig voor terug te keren.
13.2.
De minister mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Awb van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft de minister eiser niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiser heeft namelijk geen nieuwe stukken ingediend ter onderbouwing van zijn economische en sociale banden met Qatar, terwijl dit wel van hem verwacht kon worden. De verklaring van de werkgever en de verklaring van de school die in bezwaar zijn ingebracht, zijn ook al ingebracht bij de aanvraag. Weliswaar zijn er in bezwaar nieuwe stukken ingebracht, maar die zien op het bedrijf en het inkomen van referent en zijn echtgenote. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op voorhand kunnen vinden dat de inhoud van deze stukken, onvoldoende was om tot een ander oordeel te komen. De enkele toelichting die eiser tijdens een eventuele hoorzitting had kunnen geven, had - zonder nieuwe bewijsstukken - niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De vragenlijst in de bezwaarfase is bedoeld om het bezwaar nader toe te lichten, en impliceert naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond kan zijn, zoals eiser ter zitting aanvoert. Bij deze stand van zaken heeft de minister mogen afzien van het horen van eiser. De minister heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Dwangsom
14. Omdat de beroepsgrond onder 13. niet slaagt en het bezwaar van eiser terecht afgedaan is als kennelijk ongegrond, is de minister geen dwangsom verschuldigd. Dit volgt uit artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit zoals is overwogen in 12.2 onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het gebrek heeft hersteld en de aanvraag van eiser om een visum mocht afwijzen.
15.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Omdat het beroep gegrond is, dient de minister aan eiser eveneens het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op 7 mei 2025
.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Arrest van 19 december 2013 in zaak C-84/12, ECLI:EU:C:2013:862.