ECLI:NL:RBDHA:2025:7879
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, met Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Zwitserland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betwist dit en voert aan dat het terugnameverzoek te laat is ingediend, dat Zwitserland niet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel voldoet vanwege systeemfouten in de asielprocedure en opvang, en dat zijn overdracht aan Zwitserland een onevenredige hardheid vormt vanwege zijn partner in Nederland.
De rechtbank oordeelt dat het terugnameverzoek tijdig is ingediend binnen de termijn van artikel 23 Dublinverordening Pro. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Zwitserland structurele tekortkomingen heeft die een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU opleveren. Het AIDA-rapport biedt geen nieuw zwaarwegend bewijs. Ook de bijzondere omstandigheden van eiser, waaronder zijn partner in Nederland, rechtvaardigen geen uitzondering op overdracht.
De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Europees Hof van Justitie, die bevestigen dat toetsing aan indirect refoulement zonder bewijs van systeemfouten niet is toegestaan. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.