ECLI:NL:RBDHA:2025:7923

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwArt. 5.1b VbVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, een Libische vreemdeling, is op 16 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Hij betwist enkele zware en lichte gronden waarop de maatregel is gebaseerd, waaronder het ontbreken van een visum bij binnenkomst en vermeende niet-medewerking aan terugkeer. De rechtbank oordeelt dat de niet betwiste gronden voldoende en feitelijk juist zijn om de bewaring te dragen.

Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Libië en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast. De rechtbank verwerpt deze stellingen, mede omdat uit het voorafgaande gehoor blijkt dat de mogelijkheid van een lichter middel met eiser is besproken en hij dit heeft afgewezen.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18866

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep.
Op 28 april 2025 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 29 april 2025 een verweerschrift ingediend. Op 6 mei 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Voor zover eiser in de gronden van beroep overweegt dat eiser asiel heeft aangevraagd, onder de Dublinverordening [2] valt en in bewaring is gesteld op grond van artikel 59b van de Vw, wordt eiser hierin niet gevolgd. Aan eiser is op 14 januari 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw, maar deze maatregel is op 16 april 2025 opgeheven, nadat de rechtbank bij uitspraak van 14 april 2025 het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag, ongegrond heeft verklaard. Op diezelfde dag heeft verweerder opnieuw een maatregel van bewaring aan eiser opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Deze maatregel ligt ter toetsing voor aan de rechtbank.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3i en de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Ten aanzien van de zware grond 3a voert eiser aan dat het enkele feit dat hij bij zijn inreis niet beschikte over een visum of paspoort, nog niet wil zeggen dat hij onrechtmatig in Nederland is ingereisd, aangezien hij hier is gekomen om asiel aan te vragen. Verder heeft eiser zich altijd aan zijn meldplicht gehouden en is er dus geen sprake van onttrekking, als bedoeld in de zware grond 3b. Ook is het onjuist dat eiser wordt tegengeworpen dat hij niet zou willen meewerken aan zijn terugkeer naar Libië. Dit komt uit een oud bewaringsgehoor van eiser. Inmiddels wenst hij wel mee te werken, zodat zware grond 3i geen stand houdt. Met betrekking tot de lichte gronden voert eiser aan dat hij niet wist dat hij zich moest melden bij binnenkomst in Nederland. Eiser is de Nederlandse taal niet machtig en kent hier ook niemand. Daarnaast verblijft eiser bij het COa [5] en beschikt hij over € 1200 en daarmee over voldoende middelen om zijn terugreis te kunnen bekostigen.
5. Verweerder heeft lichte grond 4d laten vallen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3c, 3d en 3e en de lichte grond 4b niet heeft betwist. Met betrekking tot deze gronden is de rechtbank van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen, zodat daarmee het risico op onttrekking aan het toezicht is gegeven. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Zicht op uitzetting naar Libië
7. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Libië ontbreekt nu hij al veertien dagen in bewaring zit. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De rechtbank heeft eerder overwogen dat zicht op uitzetting naar Libië in zijn algemeenheid niet ontbreekt [6] . Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die het vorenstaande anders zouden maken voor hem. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring, door eiser bijvoorbeeld een meldplicht op te leggen. Het gehoor is onzorgvuldig afgenomen, omdat aan eiser niet is medegedeeld dat hij feiten en omstandigheden naar voren kan brengen voor de toepassing van een lichter middel. Dit maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig nu verweerder niet in de gelegenheid is gesteld tot een zorgvuldige belangenafweging en eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring blijkt dat aan eiser, na een gegeven uitleg over de mogelijkheid van het toepassen van een lichter middel, is gevraagd;
“Zijn er redenen om in uw geval te kiezen voor het toepassen van dit lichter middel”?(waarmee de meldplicht wordt bedoeld). Daarop heeft eiser als volgt gereageerd; “
Ik ga niet vrijwillig terug naar Libië, dus nee.” [7] Hieruit blijkt dat de mogelijkheid van het toepassen van een lichter middel met eiser is besproken. Gelet op het antwoord van eiser, heeft verweerder hierin naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toets
9. Tot slot is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
7.Proces-verbaal van gehoor van 16 april 2025, p. 4 van 8.