ECLI:NL:RBDHA:2025:7931
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
In deze zaak heeft de minister op 30 april 2025 besloten verzoeker geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de rechtsgevolgen van het besluit worden opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat het Bureau Medische Advisering op 19 maart 2025 had vastgesteld dat de benodigde medische behandeling aanwezig is in Marokko, ondanks een medische noodsituatie bij uitblijven van behandeling. Verzoeker betoogde dat hij onvoldoende tijd en middelen had gehad om aan te tonen dat de behandeling in Marokko niet toegankelijk is, mede door zijn verblijf in vreemdelingenbewaring.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoeker geen stukken had overgelegd die de ontoegankelijkheid van de behandeling in Marokko aannemelijk maken. Verzoeker had ruim zes weken en ook in een eerdere procedure bijna een jaar de gelegenheid gehad om zijn standpunt te onderbouwen, maar had dit niet gedaan. De belangenafweging viel daardoor in het nadeel van verzoeker uit en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt afgewezen.