ECLI:NL:RBDHA:2025:7933

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
AWB 24-10827
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit minister

Verzoeker heeft bij de rechtbank bezwaar gemaakt tegen een uitzettingsbesluit van de minister van Asiel en Migratie van 14 juni 2024. Tegelijkertijd verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de uitzetting zou schorsen tot op de beslissing op bezwaar. Nadat de minister het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde verzoeker beroep in tegen deze beslissing.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist en de belangen dat rechtvaardigen. Nu het beroep op dezelfde dag als deze uitspraak ongegrond is verklaard, ziet de voorzieningenrechter geen grond om de voorlopige voorziening toe te kennen.

Het verzoek wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Munsterman en griffier P.C.J. Lindeijer en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/10827

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.M. van der Marel)
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes).

Procesverloop

Bij bezwaarschrift van 2 juli 2024 heeft verzoeker bezwaar ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van de minister van 14 juni 2024.
Bij verzoekschrift van 2 juli 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.
Bij beroepschrift van 6 november 2024 heeft verzoeker tegen dat besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/17891.
De voorzieningenrechter verstaat het bij verzoekschrift van 2 juli 2024 gedane verzoek aldus dat thans wordt verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.
Bij uitspraak van heden is het connexe beroep ongegrond verklaard.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Aangezien het beroep met zaaknummer AWB 24/17891 bij uitspraak van heden ongegrond is verklaard, bestaat er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient om die reden te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.