Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:8098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.16583
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 lid 1 Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn)Art. 43 lid 2 Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn)Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie wegens overschrijding redelijke termijn

Eiser, met Togolese nationaliteit, verblijft sinds 23 november 2024 in grensdetentie op grond van een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd volgens artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel eerder als rechtmatig beoordeeld tot 31 maart 2025. Bij de behandeling van het vervolgberoep op 22 april 2025 verblijft eiser echter al ruim 21 weken in detentie zonder zicht op uitzetting.

De rechtbank stelt vast dat de Opvangrichtlijn een zo kort mogelijke vrijheidsontneming voorschrijft, waarbij een periode van negen weken als aanvaardbaar wordt beschouwd. De huidige detentieperiode overschrijdt deze termijn ruimschoots, waardoor de maatregel niet langer rechtmatig is. Het belang van eiser om in vrijheid de beslissing op zijn asielberoep af te wachten, weegt zwaarder dan het grensbewakingsbelang.

De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 23 april 2025. Een verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de onrechtmatigheid samenvalt met het moment van opheffing. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel wegens overschrijding van de redelijke duur van grensdetentie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16583

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. K.E.J. Dohmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Togolese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1986.
Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 april 2025 [1] volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 31 maart 2025 rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel niet langer rechtmatig voortduurt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Duurt de maatregel onredelijk lang voort?
3. Eiser voert aan dat de maatregel niet rechtmatig voortduurt, omdat deze langer duurt dan noodzakelijk is. Hij zit sinds 23 november 2024 in grensdetentie zonder zicht op uitzetting. De behandeling van zijn asielberoep is vooralsnog gepland op 20 juni 2025.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat een periode van negen weken grensdetentie in ieder geval aanvaardbaar is in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. [2] Verweerder moet namelijk op grond van artikel 43, tweede lid, van de Procedurerichtlijn [3] in de grensprocedure binnen vier weken een besluit nemen op de asielaanvraag, waarna een termijn van een week geldt voor het instellen van beroep en vervolgens een termijn van vier weken voor de rechtbank om uitspraak te doen op dat beroep. De periode van negen weken is in deze zaak echter ruimschoots overschreden. Eiser verblijft nu ruim eenentwintig weken in grensdetentie. Ongeacht aan wat of wie dat ligt, vindt de rechtbank deze periode zo lang dat niet meer kan worden gezegd dat de vrijheidsontneming zo kort als mogelijk duurt zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers belang bij het in vrijheid kunnen afwachten van de beslissing op zijn asielberoep nu zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. De beroepsgrond slaagt.
Is de maatregel om een andere reden onrechtmatig?
4. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel op een eerder moment onrechtmatig is geworden.
Wat is de conclusie?
5. Het beroep is gegrond. De maatregel is met ingang van 23 april 2025 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag.
5.1.
Omdat de vrijheidsontneming onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek daartoe wijst de rechtbank daarom af.
5.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 23 april 2025;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.NL25.12440.
2.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.