Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 11 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling, hetgeen Kroatië op 25 juni 2024 heeft geaccepteerd.
Eiser stelde dat hij in Kroatië onmenselijk en vernederend was behandeld door autoriteiten en dat overdracht naar Kroatië bijzondere hardheid zou betekenen. Hij onderbouwde dit met eerdere uitspraken en een brief van het COA. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank verwees naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat nog steeds geldt ten aanzien van Kroatië. Eiser slaagde er niet in objectieve informatie te leveren waaruit blijkt dat Dublinclaimanten in Kroatië een vergelijkbaar risico lopen als hij eerder heeft ervaren.
Verder heeft Kroatië met het claimakkoord van juni 2024 gegarandeerd dat de asielaanvraag conform Europese richtlijnen wordt behandeld. Klachten over niet-nakoming dienen in Kroatië te worden ingediend. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en geen reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat.