ECLI:NL:RBDHA:2025:8347
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde op 13 mei 2025 een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een Marokkaanse vreemdeling, beroep instelde tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven op 30 april 2025, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of het voortduren van de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot 14 februari 2025 rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna tot aan de opheffing. Hoewel de rechtbank constateerde dat het vooronderzoek een dag te laat was gesloten, werd dit niet als onrechtmatig aangemerkt omdat de totale termijn van 21 dagen voor een voortvarende beslissing niet was overschreden en eiser niet in zijn belangen was geschaad.
Verder concludeerde de rechtbank dat er zicht was op uitzetting naar Marokko en dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door herhaalde contacten met de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser. Eiser werkte onvoldoende mee aan zijn uitzetting, waardoor geen reden was om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de bewaring rechtmatig was tot aan de opheffing.