Eiser diende op 20 november 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Duitsland volgens een fictief claimakkoord sinds 2 januari 2025 verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag. Dit claimakkoord ontstond doordat Duitsland niet binnen twee weken reageerde op een terugnameverzoek van Nederland op 18 december 2024.
Duitsland wees het verzoek op 7 januari 2025 alsnog af en gaf aan dat de verantwoordelijkheid was geëindigd omdat eiser in 2019 naar Marokko was uitgezet. Eiser betoogde dat het claimakkoord onterecht was en dat Duitsland niet langer verantwoordelijk was, omdat hij meer dan drie maanden buiten de EU verbleef.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de verantwoordelijkheid van Duitsland niet was geëindigd. De Duitse informatie over de uitzetting was voldoende om aan te nemen dat de verantwoordelijkheid was vervallen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De rechtbank veroordeelde de minister tevens in de proceskosten van eiser van € 1.814,-. De uitspraak is gebaseerd op de Dublinverordening en jurisprudentie van het HvJ EU (Ghezelbash en Karim).