ECLI:NL:RBDHA:2025:8470
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens ontbreken uitzicht op uitzetting
De rechtbank Den Haag behandelde op 30 april 2025 het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die door verweerder was opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was eerder getoetst tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 12 maart 2025 en toen als rechtmatig beoordeeld.
Eiser stelde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbrak, omdat het Openbaar Ministerie bezwaar had gemaakt tegen zijn uitzetting. De rechtbank overwoog dat dit bezwaar een feitelijke belemmering vormt die de uitzetting verhindert en dat er geen uitzicht is op een einde van deze belemmering binnen een redelijke termijn. De geplande strafzitting op 2 juli 2025 bood volgens de rechtbank geen zekerheid dat uitzetting daarna direct mogelijk is.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de maatregel van bewaring sinds 12 maart 2025 onrechtmatig voortduurt en beveelt zij de opheffing van de maatregel met ingang van de datum van uitspraak. Omdat eiser geen schadevergoeding had verzocht en de rechtbank dit niet ambtshalve beoordeelde, werd geen schadevergoeding toegekend. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser ter hoogte van €1.814,-.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is gegrond verklaard en de maatregel is per direct opgeheven.