Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2017:2165

Raad van State

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
14 augustus 2017
Zaaknummer
201705962/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000Art. 59 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn

De vreemdeling werd bij besluit van 3 juni 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het verzet van het openbaar ministerie tegen de uitzetting slechts tijdelijk was en dat er daardoor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou zijn. Het openbaar ministerie had op 8 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen de uitzetting, waardoor sprake was van een feitelijke belemmering die de uitzetting voorlopig in de weg stond.

Gezien het ontbreken van uitzicht op opheffing van deze belemmering binnen een redelijke termijn, ontbrak het zicht op uitzetting zoals vereist om de vreemdeling in bewaring te kunnen stellen. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven.

Daarnaast kende de Afdeling aan de vreemdeling een schadevergoeding toe over de periode van 8 juni 2017 tot 11 augustus 2017, de dag van opheffing van de bewaring. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn en er wordt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

201705962/1/V3.
Datum uitspraak: 11 augustus 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juli 2017 in zaak nr. NL17.4379 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 juli 2017 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie zich verzet tegen zijn uitzetting niet betekent dat geen sprake is van zicht op uitzetting omdat dit verzet naar zijn aard tijdelijk is. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling miskend dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is komen te ontbreken nu het openbaar ministerie zich uitdrukkelijk tegen zijn uitzetting heeft verzet en de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep en mogelijk in cassatie nog lang op zich zullen laten wachten.
1.1.    Op 8 juni 2017 heeft het openbaar ministerie laten weten bezwaar te hebben tegen het voornemen om de vreemdeling uit te zetten. Gelet hierop is sprake van een feitelijke belemmering die vooralsnog aan uitzetting van de vreemdeling in de weg staat. Bij gebreke van enig uitzicht op een einde van die belemmering binnen een redelijke termijn ontbreekt zicht op uitzetting zoals dat is vereist om de vreemdeling in verband daarmee in bewaring te kunnen stellen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4310). De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 3 juni 2017 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 8 juni 2017 tot 11 augustus 2017, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juli 2017 in zaak nr. NL17.4379;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 5.120,00 (zegge: vijfduizend honderdentwintig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Bakker
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2017
395.