ECLI:NL:RBDHA:2025:848
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser stelde dat hij niet correct geïnformeerd was over de inhoud van de brochure B en dat hem onjuiste informatie was verstrekt tijdens het Dublingehoor, wat in strijd zou zijn met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen was geschaad en dat de verstrekte informatie geen concrete toezeggingen inhield.
Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland niet meer van toepassing is vanwege het risico op indirect refoulement, met verwijzing naar zijn situatie als uitgeprocedeerde Yezidi. De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake is van fundamentele systeemfouten in Duitsland die de hoge drempel van het arrest Jawo overschrijden.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af omdat de minister terecht geen aanleiding zag om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. De minister had de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende betrokken in zijn motivering. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.