De rechtbank Den Haag behandelde de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet. De zaak omvatte meerdere zittingen tussen 2021 en 2025, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel moest worden vastgesteld.
De officier van justitie stelde aanvankelijk een bedrag van €113.000,-, later bijgesteld naar €10.010,-, gebaseerd op een berekening van het aantal transacties, winstpercentages en de periode van drugshandel. De verdediging betwistte deze berekening en stelde een veel lager bedrag voor, uitgaande van de bewezenverklaarde periode en een lager aantal transacties.
De rechtbank oordeelde dat de berekening van de officier van justitie niet kon worden toegepast op de periode buiten de bewezenverklaarde feiten, vanwege de onschuldpresumptie. Op basis van de bewezenverklaarde periode en het rapport van de politie werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €1.102,50. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de afhandeling van de ontnemingsvordering werd de betalingsverplichting verlaagd naar €1.000,00.
De rechtbank legde tevens een maximale gijzelingstermijn van 20 dagen vast voor het geval de betalingsverplichting niet wordt nagekomen. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer op 24 januari 2025.