ECLI:NL:RBDHA:2025:8544
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens overdracht aan Kroatië
Eiser, van Turkse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de aanvraag op grond van de Dublin-verordening.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiser nog belang had bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Uit de stukken bleek dat eiser per 30 september 2024 was overgedragen aan Kroatië en dat er geen contact meer was tussen eiser en zijn gemachtigde. De gemachtigde bevestigde dit ook.
Volgens vaste jurisprudentie wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bekendmaking van verblijfplaats vertrekt en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming. Daarom ontbrak het procesbelang.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Ketelaars-Mast en griffier K.E. Mulder.
Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang door overdracht aan Kroatië en geen contact met gemachtigde.