ECLI:NL:RBDHA:2025:8553
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor visumaanvraag minderjarige ter gezinshereniging
De zaak betreft een twaalfjarige Surinaamse jongen die gescheiden leeft van zijn moeder en vijfjarige Nederlandse broertje, die sinds juni 2024 in Nederland verblijven vanwege medische behandelingen van het broertje. De moeder heeft een faciliterend visum gekregen, maar de visumaanvraag van de verzoeker is afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd om hem te behandelen alsof hij het visum heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat toewijzing van de voorlopige voorziening een verstrekkende beslissing is die het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure overschrijdt, maar acht dit gerechtvaardigd vanwege het zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. De rechter weegt mee dat verzoeker al bijna een jaar gescheiden leeft van zijn moeder en broertje, wat een inbreuk op het gezinsleven vormt.
De medische situatie van het broertje, dat recht heeft op vrij verblijf in de EU, en de erkenning van de moeder als enige verzorgende ouder, maken dat verzoeker als minderjarig gezinslid recht heeft op het visum. De voorzieningenrechter baseert zich op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 september 2021.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt de verweerder tot betaling van proceskosten. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van het gevraagde faciliterend visum.