ECLI:NL:RBDHA:2025:8613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat verweerder niet had voldaan aan de informatieplicht, omdat de Arabische informatiefolder niet in het dossier aanwezig was en niet kon worden geverifieerd. De rechtbank stelde vast dat de folder niet was uitgereikt, maar dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid omdat eiser in het gehoor met tolk was geïnformeerd over de gronden van bewaring en de mogelijkheid tot kosteloos beroep.

Eiser voerde tevens aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, omdat het beroep tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn asielaanvraag een goede kans van slagen had. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk was vanwege het onttrekkingsrisico, en dat de stelling van eiser onvoldoende was om een lichter middel te rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was, het beroep ongegrond, en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier D.M. Abrahams, en kan binnen een week worden bestreden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19016

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Lazar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft verweerder voldaan aan de informatieplicht?
1. Eiser betoogt allereerst dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Hoewel in de maatregel van bewaring is aangekruist dat aan eiser een informatiefolder in de Arabische taal is uitgereikt, bevindt deze folder zich niet in het dossier. Ook is er geen Nederlandse vertaling van de folder in het dossier opgenomen. Er kan daarom niet worden geverifieerd of de informatiefolder voldoet aan de eisen zoals neergelegd in artikel 5.3 van het Vb. Volgens eiser dient dit te leiden tot een belangenafweging die in zijn voordeel uitvalt.
2. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat de informatiefolder in de Arabische taal die aan eiser zou zijn uitgereikt, zich niet in het dossier bevindt. Verweerder is de gelegenheid geboden de informatiefolder alsnog aan het dossier toe te voegen. Dit is niet gelukt. Er kan dan ook worden vastgesteld dat de informatiefolder niet aan eiser is uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vb. Dit leidt echter pas tot onrechtmatigheid van de bewaring als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. [1] Dat betekent dat de rechtbank een belangenafweging moet maken. Deze belangenafweging valt in het voordeel van verweerder uit. Eiser is niet benadeeld door de schending van de informatieplicht, omdat met eiser in het gehoor voor de inbewaringstelling (met de hulp van een tolk) is besproken op welke gronden hij in bewaring zou worden gesteld, zodat hij daarover is geïnformeerd. Daarnaast is hem medegedeeld dat hij kosteloos beroep kon instellen en is aan eiser een advocaat toegevoegd die al na twee dagen namens hem beroep heeft ingesteld. Daar staat tegenover dat - zoals verweerder terecht stelt - uit de niet betwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd een onttrekkingsrisico volgt, zodat verweerder er belang bij heeft eiser in bewaring te stellen.
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij niet volstaat met een lichter middel?
3. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe voert eiser aan dat het beroep tegen het besluit van 4 april 2025, waarbij de asielaanvraag van 26 februari 2025 niet-ontvankelijk is verklaard, op 25 juni 2025 op zitting zal worden behandeld en een goede kans van slagen heeft. Eiser had om die reden in een asielzoekerscentrum geplaatst moeten worden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank wijst daarbij (wederom) op de niet-betwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De enkele stelling van eiser dat hij denkt dat het beroep tegen het besluit van 4 april 2024 een goede kans van slagen heeft, maakt niet dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Verweerder heeft dan ook geen reden hoeven zien om eiser in een asielzoekerscentrum te plaatsen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel. [2]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 9.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.