Eiser, een Syrische nationaliteit dragende langdurig ingezetene in Oostenrijk, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige in Nederland. Na eerdere afwijzingen van aanvragen voor arbeid in loondienst en zelfstandige arbeid, werd zijn aanvraag op 5 juni 2024 opnieuw afgewezen door de minister vanwege twijfels over de zakelijke aard van zijn toetreding tot een vennootschap onder firma (vof) en de financiële onderbouwing.
De rechtbank oordeelt dat de nieuwe in beroep ingebrachte stukken, waaronder gecorrigeerde jaarrekeningen en belastingaangiften, aantonen dat eiser zich conform de vennootschapsovereenkomst heeft ingekocht en dat de winstdeling 50-50 is. Dit weerlegt het standpunt van de minister dat sprake zou zijn van een schijnconstructie. De rechtbank acht de inkoop van € 21.200,- zakelijk en concludeert dat het bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser niet tijdig de betaling heeft verricht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar de minister moet het griffierecht vergoeden.