ECLI:NL:RBDHA:2025:862
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wijziging verblijfsdoel en intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Eiser verzocht om wijziging van zijn verblijfsdoel naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, nadat zijn verblijfsvergunning als familielid was ingetrokken met terugwerkende kracht vanwege zijn scheiding. De minister wees deze aanvraag af en trok de eerdere vergunning in, wat eiser betwistte vanwege onvoldoende motivering en belangenafweging.
De rechtbank oordeelde dat de minister bevoegd was de vergunning met terugwerkende kracht in te trekken en dat geen aanvullende belangenafweging vereist was. De aanvraag tot wijziging werd afgewezen omdat eiser niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en onvoldoende aantoonbare inspanningen had geleverd om vrijstelling te rechtvaardigen. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde omdat de minister voldoende rekening hield met de belangen van eiser.
Verder werd geoordeeld dat de minister niet verplicht was om een asielprocedure te starten alvorens een terugkeerbesluit te nemen, aangezien eiser onvoldoende had onderbouwd dat terugkeer naar Sri Lanka onuitvoerbaar was. De rechtbank kende eiser proceskosten toe wegens overschrijding beslistermijn en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en afwijzing van de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel worden bevestigd.