ECLI:NL:RVS:2025:1350

Raad van State

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
202500925/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 18 juli 2023 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en een aanvraag tot wijziging van de beperking van die vergunning afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat op 14 juni 2024 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 januari 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek daarom af. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter B. Meijer op 28 maart 2025, in aanwezigheid van griffier N.S. Koelman. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen en houdt de intrekking van de verblijfsvergunning in stand totdat het hoger beroep inhoudelijk is behandeld.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

202500925/2/V2.
Datum uitspraak: 28 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 20 januari 2025 in zaak nr. NL24.14809 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag tot het wijzigen van de beperking van die vergunning afgewezen.
Bij besluit van 14 juni 2024 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025
1021