ECLI:NL:RBDHA:2025:8639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.19470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens onvoldoende medische toegankelijkheid en niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag

Verzoeker, een vreemdeling met gezondheidsproblemen, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege medische redenen. Verweerder oordeelde dat noodzakelijke medische zorg in Pakistan beschikbaar is en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Verzoeker betoogde dat hij vanwege financiële beperkingen, gebrek aan sociaal netwerk en verblijf in vreemdelingenbewaring geen toegang tot zorg kan krijgen, maar kon dit niet voldoende onderbouwen.

Daarnaast diende verzoeker een opvolgende asielaanvraag in, die verweerder niet-ontvankelijk verklaarde omdat deze louter was ingediend om de uitzetting te vertragen en geen nieuwe relevante elementen bevatte. Verzoeker stelde dat hij lid is van een politieke partij en daardoor risico loopt op vervolging, maar zijn bewijsvoering werd als onvoldoende en tegenstrijdig beoordeeld.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting en tegen het 3.1-besluit geen redelijke kans van slagen heeft. De medische situatie rechtvaardigt geen uitstel en de opvolgende asielaanvraag is niet ontvankelijk. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting en tegen het 3.1-besluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19470

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Franca en mr. M. Weerman).

Procesverloop

Bij besluiten van 27 januari 2022 en van 3 januari 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder ambtshalve geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verzoeker heeft tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.3088).
Op 22 januari 2025 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat hij voornemens is om verzoeker op 13 februari 2025 per vliegtuig uit te zetten naar Pakistan.
Bij besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.6023), zodat het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.3088) geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:1864) het verzoek om voorlopige voorziening (NL25.3088) toegewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat verweerder een aanvullend BMA-advies heeft overgelegd waaruit volgt dat de genoemde behandelmogelijkheden in Karachi nog steeds beschikbaar zijn.
Verweerder heeft verzoeker op 17 april 2025 meegedeeld dat hij voornemens is om verzoeker op 2 mei 2025 per vliegtuig ( [vluchtnummer] ) uit te zetten naar Pakistan.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 28 april 2025 opnieuw gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op dit verzoek ziet deze uitspraak.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren. Verweerder heeft op 29 april 2025 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om op het verweerschrift te reageren. Hij heeft op 29 en 30 april 2025 gereageerd.
Verzoeker heeft op 29 april 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 30 april 2025 heeft verweerder deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard en met toepassing van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaald dat de uitzetting niet achterwege blijft (3.1-besluit).
Verzoeker heeft tegen het 3.1-besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, bij afzonderlijk verzoek verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het 3.1-besluit is, vanuit een oogpunt van concentratie van rechtsmiddelen, overgedragen aan de voorzieningenrechter van deze nevenzittingsplaats.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren. Dit heeft verweerder op 1 mei 2025 gedaan.
Verzoeker heeft vervolgens de gelegenheid gekregen om hierop te reageren. Verzoeker heeft op 1 mei 2025 afzonderlijke reacties ingediend inzake artikel 64 van Pro de Vw en artikel 3.1 van het Vb.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 1 mei 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de uitzetting van verzoeker staat gepland voor 2 mei 2025.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit – waarbij de primaire besluiten zijn gehandhaafd – ambtshalve geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Uit de adviezen Bureau Medische Advisering (BMA) van 28 oktober 2022 en 29 september 2023 blijkt verzoeker een hoge bloeddruk (hypertensie) met orgaanschade in de vorm van (gering) eiwitverlies met de urine, suikerziekte (diabetes mellitus) en een verhoogd cholesterol. Verzoeker wordt door het BMA in staat geacht om te reizen. Uit de BMA-adviezen blijkt weliswaar dat het achterwege blijven van de noodzakelijke medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, maar ook dat de noodzakelijke medische behandeling in Pakistan aanwezig is. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is, zodat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM, aldus verweerder.
Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 12 februari 2025 heeft verweerder het BMA gevraagd een aanvullend advies uit te brengen over de feitelijke beschikbaarheid van de voor verzoeker noodzakelijke medische voorzieningen in Pakistan. Reden hiervoor was dat het BMA-advies van 29 september 2023 inmiddels te oud was. Op 10 maart 2025 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. Hieruit volgt – kortgezegd – dat de medisch noodzakelijke behandelingen en medicatie nog steeds beschikbaar zijn in Pakistan.
Feitelijke toegankelijkheid
5. Verzoeker betoogt dat de noodzakelijke medische zorg in Pakistan feitelijk niet toegankelijk is voor hem. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit miskend. Hij kan deze kosten niet dragen aangezien hij geen inkomen heeft, niet kan werken en niet langer een sociaal netwerk heeft in Pakistan. Bovendien is het door verweerder aangehaalde ziekenhuis, waar de benodigde zorg wordt aangeboden, ver verwijderd van zijn vroegere woonplaats. Verzoeker heeft verder gewezen op de website van het door verweerder genoemde ziekenhuis. Hieruit volgt dat het weliswaar mogelijk is om een (gedeeltelijke) vergoeding te krijgen voor de kosten van een behandeling maar dat het hiervoor wel vereist is dat de desbetreffende patiënt een hiertoe strekkende aanvraag doet en dat hij dan zal worden gehoord hierover. Dit is echter niet mogelijk voor hem aangezien hij momenteel in vreemdelingenbewaring zit. Verzoeker heeft een tweetal e-mailberichten overgelegd waaruit volgens hem volgt dat de zorg in het voormelde ziekenhuis feitelijk niet toegankelijk voor hem is. Daarnaast heeft verzoeker betoogd dat er nog altijd individuele garanties ontbreken.
5.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2046, is het volgens paragraaf 186 van het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, aan een vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit hoeft volgens het EHRM geen ‘clear proof’ te zijn. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571, onder 2.1, en de uitspraak van 14 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2799, onder 7 en 7.1. Dit betekent onder meer dat de vreemdeling aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling zijn in Pakistan. Als de vreemdeling stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, moet hij dat ook aannemelijk maken.
5.2.
Uit het aanvullende BMA-advies van 10 maart 2025 volgt dat de voor verzoeker noodzakelijk geachte medische behandeling(en) en medicatie nog steeds beschikbaar zijn in Pakistan, namelijk voor een groot deel in het Aga Khan University Hospital in Karachi (en bijbehorende apotheek) (AKUH), deels bij Sindh Institute of Urology and Transplantation in Karachi en deels bij Curelink Healthcare in Rawalpindi. Dat deze behandeling(en) en medicatie in deze ziekenhuizen beschikbaar zijn, wordt door verzoeker op zichzelf niet betwist. Hij betoogt echter dat de behandelingen en medicatie bij het AKUH voor hem feitelijk niet toegankelijk zijn. De argumenten die verzoeker in dit kader aanvoert zijn ook al betrokken bij de uitspraak van 12 februari 2025. In deze uitspraak is reeds overwogen dat verzoeker hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medisch noodzakelijke zorg voor hem in Pakistan feitelijk niet toegankelijk voor hem is. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om nu anders hierover te oordelen. Verzoeker heeft nog altijd geen informatie heeft overgelegd waarmee aannemelijk wordt gemaakt wat de kosten zijn van de voor hem noodzakelijke behandeling(en). Verzoeker heeft wel een tweetal e-mailberichten van [persoon A] van 28 april 2025 overgelegd. Een van deze e-mails is verstuurd aan het hiervoor genoemde ziekenhuis en hierin wordt – kortgezegd – aan het ziekenhuis gevraagd of de benodigde zorg aldaar toegankelijk is voor verzoeker. Een antwoord van het ziekenhuis, anders dan dat de gestelde vragen zijn doorgestuurd naar de juiste afdeling in het ziekenhuis, ontbreekt echter. Hiermee wordt dus niet aannemelijk gemaakt wat de kosten zijn van de voor verzoeker medisch noodzakelijke zorg en evenmin dat hij deze niet kan dragen. De andere overgelegde e-mail is gericht aan de gemachtigde van verzoeker en omschrijft de belemmeringen bij de toegang tot de voor verzoeker benodigde zorg. Ook deze e-mail leidt niet tot een ander oordeel bij de voorzieningenrechter. Hierbij stelt zij voorop dat niet duidelijk wordt wat de hoedanigheid en deskundigheid is van de afzender van deze e-mailberichten en dat met het bericht aan de gemachtigde van verzoeker ook niet inzichtelijk wordt gemaakt wat de kosten zijn van de voor verzoeker medisch noodzakelijke zorg. In deze e-mail wordt namelijk de algemene situatie van de gezondheidszorg in Pakistan en het AKUH beschreven, wordt melding gemaakt van de grote reisafstand tussen het ziekenhuis en het vliegveld in Lahore en wordt aangegeven dat er sprake is van geopolitieke spanningen tussen Pakistan en India. Deze e-mail, en in het verlengde de aangehaalde (deels oude) bronnen, vormen echter geen afdoende (concrete) ondersteuning voor verzoekers standpunt dat de medisch noodzakelijke zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Ook met deze e-mail is niet aannemelijk gemaakt wat de kosten voor de benodigde hulp zijn en dat deze in voorkomend geval voor verzoeker niet te dragen zijn. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat de opsteller van de e-mail op onderdelen lijkt uit te gaan van onjuiste informatie. Zo wordt in de e-mail gesteld dat de benodigde psychiatrische zorg maar zeer beperkt aanwezig zou zijn in het AKUH, terwijl voor psychiatrische zorg nu juist in het aanvullende BMA-advies mede wordt verwezen naar Curelink Healthcare. Verzoeker heeft voorts zijn stelling dat er bij het AKUH in de praktijk significante belemmeringen bestaan wat de toegankelijkheid betreft voor onverzekerde en financieel kwetsbare patiënten, niet met voldoende stukken onderbouwd. Hij heeft in dit kader slechts gewezen op een webpagina van het ziekenhuis en de genoemde e-mailberichten. Op de website van het ziekenhuis wordt vermeld dat het mogelijk is om voor bepaalde groepen patiënten een (gedeeltelijke) vergoeding te krijgen voor de kosten van een behandeling maar dat hiervoor wel is vereist dat de desbetreffende patiënt een daartoe strekkende aanvraag doet en dat hij hierover dan zal worden gehoord hierover. Anders dan verzoeker betoogt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat verzoeker in het voorkomende geval geen beroep zou kunnen doen op een dergelijke regeling. De stelling dat hij thans in (vreemdelingen)bewaring zit en het dus niet mogelijk is om gehoord te worden, is daartoe onvoldoende. Verzoeker heeft niet met concrete, hem betreffende informatie van het AKUH onderbouwd dat hij niet voor een dergelijke vergoeding in aanmerking komt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het antwoord van het AKUH op de e-mail van [persoon A] af te wachten. De artikel 64 van Pro de Vw-procedure loopt al geruime tijd en verzoeker is er meermalen op gewezen dat het op zijn weg ligt te onderbouwen dat de noodzakelijke zorg feitelijk niet toegankelijk is voor hem. Dat verzoeker pas op 28 april 2025, geruime tijd nadat hij op de hoogte is geraakt van het aanvullende BMA-advies en zeer kort voor de geplande uitzetting, een bericht heeft gestuurd naar het AKUH, moet voor zijn risico komen. De voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen dat door het niet afwachten van de reactie van het AKUH een 3 EVRM-risico voor verzoeker zal ontstaan. Gelet op dit alles kan verzoekers betoog dat de benodigde zorg om financiële redenen feitelijk voor hem niet toegankelijk is, niet slagen.
5.3.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat verzoeker ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg om andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Dat het AKUH op grote afstand ligt van het vliegveld waarnaar verzoeker zal worden uitgezet, is daartoe onvoldoende. Verzoeker hoeft niet te verblijven in de omgeving van het vliegveld (overigens volgens de vluchtgegevens het vliegveld van [plaats] en niet van Lahore, zoals vermeld in de e-mail van [persoon A] ). Het betoog van verzoeker dat hij geen sociaal netwerk heeft wat hem zou kunnen ondersteunen en dat hij zelf niet zal kunnen werken, heeft hij niet met stukken onderbouwd en volgt de voorzieningenrechter dus niet. Verder blijkt uit de stukken dat – anders dan in de e-mail van [persoon A] aan het AKUH is vermeld – verzoeker wel een telefoon heeft. Niet valt in te zien waarom hij daarover bij terugkeer niet zou kunnen beschikken.
5.4.
Voor zover verzoeker onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3134) heeft betoogd dat het op de weg van verweerder lag om garanties te vragen van Pakistan omtrent de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de medische zorg, kan dit niet leiden tot een ander oordeel bij de voorzieningenrechter. Dergelijke garanties zijn immers slechts aan de orde indien er na het te verrichten onderzoek door verweerder naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de medische zorg nog serieuze twijfel blijft bestaan daarover. Dat is in dit geval echter niet aan de orde.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen de afwijzing om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Opvolgende asielaanvraag
7. Verzoeker heeft op 29 april 2025 een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend.
Hier legt hij aan het grondslag dat – samengevat weergegeven – hij lid is van Pakistan Thereek-e-Insaf (PTI). Dit is een politieke partij. Leiders en andere leden van deze partij in Pakistan lopen het risico op vervolging.
8. Verweerder heeft deze asielaanvraag bij besluit van 30 april 2025 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van het Vw omdat er geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verzoekers asielaanvraag louter is ingediend teneinde de uitvoering van het eerder opgelegde terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen. Daarom heeft verweerder op grond van artikel 3.1 van het Vb bepaald dat de voorgenomen uitzetting niet achterwege zal blijven.
9. Verzoeker heeft bij afzonderlijk verzoek de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar tegen het besluit van 30 april 2025. Daartoe voert hij het volgende aan. Verzoeker betwist dat de hier aan de orde zijnde opvolgende asielaanvraag louter is ingediend teneinde zijn uitzetting te frustreren. Daartoe voert hij onder meer aan dat er op het moment van indiening van zijn asielaanvraag nog een voorlopige voorziening aanhangig was bij de rechtbank in het kader van zijn beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek. Deze procedure was kansrijk en dus bestond er in feite geen reden om een opvolgende asielaanvraag in te dienen louter om de uitzetting te voorkomen. Verzoeker betoogt verder dat hij het asielmotief dat hij ten grondslag legt aan zijn asielverzoek, te weten het lidmaatschap van de PTI, afdoende heeft onderbouwd. Bovendien weigert verweerder hem – vanwege de vreemdelingenbewaring – toegang te verschaffen tot zijn telefoon. Hierin staan echter bewijzen van zijn lidmaatschap. Daarnaast is hij in zijn procesbelang geschaad doordat verweerder de foto’s die hij ter onderbouwing heeft overgelegd niet heeft opgenomen in het digitale dossier.
10. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.
11. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb heeft het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de vreemdeling een eerste opvolgende aanvraag heeft ingediend louter teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen en de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onderdeel d, van de Vw.
11.1.
Uit artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw volgt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet Pro-ontvankelijk kan worden verklaard in de zin van artikel 33 van Pro de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
11.2.
Op grond van artikel 3.49 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 (Vv), voor zover van belang, zijn duidelijke aanwijzingen dat de vreemdeling de eerste opvolgende asielaanvraag heeft ingediend louter teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder e, van het Vb, in ieder geval dat:
a.de vreemdeling bekend is met de datum waarop hij wordt uitgezet en de aanvraag indient kort voorafgaand aan zijn uitzetting terwijl:
1°hij voldoende mogelijkheid heeft gehad om de aanvraag eerder in te dienen, maar hij daarvan geen gebruikt heeft gemaakt;
2°hij de aanvraag niet heeft onderbouwd;
3°de argumenten of bewijzen die hij heeft voorgelegd, evident niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag of evident niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag; of
4°hij zijn eerder afgelegde verklaringen essentieel wijzigt of aanvult;
(…)
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen. Daarbij heeft verweerder allereerst kunnen betrekken dat verzoeker zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt op 29 april 2025 terwijl er op 2 mei 2025 een uitzetting was gepland en hij al geruime tijd in Nederland verblijft. In dat kader heeft verweerder ook kunnen betrekken dat verzoeker, afgaande op zijn eigen verklaringen, al sinds 2020 (actief) lid is van de PTI en als gevolg van dat lidmaatschap in 2023 en 2024 bedreigingen zou hebben ontvangen. Niet valt in te zien dat verzoeker deze gestelde problemen nu pas – enkele dagen voor de geplande uitzetting – inbrengt terwijl hij al een lange tijd in Nederland is. Dat artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn niet is geïmplementeerd in de nationale wetgeving en dat om die reden verweerder hem geen verwijtbaarheidstoets kan tegenwerpen, zoals verzoeker heeft aangevoerd, betekent niet dat verweerder het gegeven dat verzoeker zijn asielaanvraag laat indient, niet kan betrekken bij het 3.1-besluit.
12.1.
Daarnaast heeft verweerder bij het 3.1-besluit kunnen betrekken dat de afgelegde verklaringen en overgelegde documenten evident niet kunnen leiden tot inwilliging van de aanvraag en verzoeker zijn aanvraag onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Hij heeft ter onderbouwing slechts een viertal foto’s van hemzelf met de leider van de PTI (de gevangengenomen [persoon B] ) en een brief afkomstig van een lid van de PTI in Nederland ter ondersteuning overgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat op voorhand kan worden uitgesloten dat deze documenten kunnen leiden tot inwilliging van verzoekers opvolgende asielaanvraag. De overgelegde foto’s zijn namelijk overduidelijk gefotoshopt en hieruit volgt bovendien geenszins dat verzoeker zich negatief heeft geuit over het leger. Dat verzoeker in zijn belangen is geschaad omdat zijn gemachtigde niet beschikt over deze foto’s, volgt de voorzieningenrechter niet. Deze foto’s heeft hij namelijk zelf ingebracht, zodat niet valt in te zien dat zijn gemachtigde hierover niet kan beschikken. Bovendien staan deze foto’s naar eigen zeggen ook op social media en kan zijn gemachtigde ook langs die weg kennisnemen van deze foto’s. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder deze foto’s ook in het digitale dossier in het kader van deze voorlopige voorziening heeft geplaatst.
De overgelegde summiere schriftelijke verklaring die afkomstig zou zijn van een lid van de PTI in Nederland, leidt evenmin tot een ander oordeel. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat deze verklaring niet is ondertekend en evenmin is voorzien van een ID-bewijs van de ondertekenaar. Hieruit volgt bovendien niet welke activiteiten verzoeker onderneemt. Dat verzoeker, indien gewenst, een aanvullend schrijven ter nadere onderbouwing kan overleggen, kan hem niet baten. Het ligt op zijn weg om zijn opvolgende asielaanvraag tijdig met relevante stukken te onderbouwen. Het voorgaande geldt ook voor zijn enkele stelling dat hij beschikt over een lidmaatschapspas van de PTI en die kan overleggen. Verzoeker heeft geen andere stukken overgelegd, zodat verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker zijn aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter overweegt tot slot in dit kader dat het betoog van verzoeker dat verweerder hem frustreert in de onderbouwing van zijn aanvraag door hem geen toegang te geven tot zijn telefoon niet kan slagen. Hiervoor bestaat geen feitelijke grondslag nu uit de stukken blijkt dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld om bewijsstukken afkomstig van zijn telefoon in te brengen en daar kennelijk (gelet op de in het geding gebrachte foto’s) gebruik van heeft gemaakt.
12.2.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker ook geen verklaringen heeft afgelegd die kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker tegenstrijdig en oppervlakkig heeft verklaard over zijn lidmaatschap. Zo werpt verweerder verzoeker terecht tegen dat zijn verklaringen over het logo van de partij feitelijk onjuist zijn. Verzoeker heeft namelijk verklaard dat het logo van de partij een cricketbat is, terwijl dit logo sinds de verkiezingen in 2024 is gewijzigd. Dit heeft verzoeker ook niet betwist. Ook heeft verweerder terecht opgemerkt dat verzoeker de kleuren van de partij niet weet. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij al sinds 2020 lid was van de partij en deelnam aan bijeenkomsten in Pakistan, terwijl verzoeker in 2013 Pakistan heeft verlaten. Verzoeker verklaart verder tegenstrijdig over de activiteiten die hij heeft ondervonden in het kader van zijn lidmaatschap van de PTI. Zo verklaart hij eerst dat hij pamfletten uitdeelde, om vervolgens te verklaren dat hij deze pamfletten eigenlijk niet uitdeelde. Daarnaast heeft verzoeker tijdens zijn eerdere asielprocedure(s) eerder verklaard geen problemen te hebben gehad vanwege zijn politieke overtuiging en heeft hij de gestelde problemen niet ingebracht op het moment dat deze zich zouden hebben voorgedaan. Verweerder stelt zich daarom ook terecht op het standpunt dat verzoeker zijn eerdere verklaringen op essentiële punten wijzigt of aanvult en dat de thans afgelegde verklaringen evident niet kunnen leiden tot inwilliging van zijn opvolgende asielaanvraag.
13. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter reeds tot de conclusie dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een bespreking van wat verweerder en verzoeker verder hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding.
14. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.