Eiser, met Kroatische nationaliteit, werd op 30 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. De minister motiveerde de maatregel met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, waarbij zowel zware als lichte gronden werden aangevoerd die eiser niet betwistte.
Eiser voerde aan dat de staande houding onrechtmatig was omdat deze niet-vreemdelingrechtelijk was en dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen met betrekking tot de uitzetting. De rechtbank oordeelde echter dat de staande houding plaatsvond op grond van een niet-vreemdelingenrechtelijke overtreding (APV Rotterdam) en dat de daaropvolgende detentie op juiste wettelijke gronden was gebaseerd. Tevens was het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf had onherroepelijk.
De rechtbank vond dat de gronden voor bewaring voldoende waren en dat een lichter middel niet toereikend was. De minister handelde voortvarend door het vertrekgesprek te voeren en een terugkeer- en overnameverzoek aan Kroatië te sturen. Er was geen reden om te vermoeden dat Kroatië niet zou meewerken aan terugname, ondanks het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.