ECLI:NL:RBDHA:2025:8661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 mei 2025
Publicatiedatum
16 mei 2025
Zaaknummer
NL25.20290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 50 lid 2 VwVreemdelingenwet 2000Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf afgewezen

Eiser, met Kroatische nationaliteit, werd op 30 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht. De minister motiveerde de maatregel met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, waarbij zowel zware als lichte gronden werden aangevoerd die eiser niet betwistte.

Eiser voerde aan dat de staande houding onrechtmatig was omdat deze niet-vreemdelingrechtelijk was en dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen met betrekking tot de uitzetting. De rechtbank oordeelde echter dat de staande houding plaatsvond op grond van een niet-vreemdelingenrechtelijke overtreding (APV Rotterdam) en dat de daaropvolgende detentie op juiste wettelijke gronden was gebaseerd. Tevens was het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf had onherroepelijk.

De rechtbank vond dat de gronden voor bewaring voldoende waren en dat een lichter middel niet toereikend was. De minister handelde voortvarend door het vertrekgesprek te voeren en een terugkeer- en overnameverzoek aan Kroatië te sturen. Er was geen reden om te vermoeden dat Kroatië niet zou meewerken aan terugname, ondanks het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20290

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Inleiding

1. Bij besluit van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt de Kroatische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum].
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
5. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
6. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf op grond waarvan eiser mocht worden staande gehouden en overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Dit had beter onderzocht moeten worden, zo had eiser gevraagd moeten worden naar zijn identiteitspapieren en of hij een arbeidsovereenkomst in Nederland heeft.
6.1.
De rechtbank constateert dat eiser in een niet-vreemdelingrechtelijk kader is staande gehouden, namelijk op grond van de APV [2] van Rotterdam (het bezit van opengebroken alcoholhoudende drank). Eiser werd gevraagd naar zijn identiteitspapieren, die hij niet kon overleggen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende duidelijk is dat de staande houding niet-vreemdelingrechtelijk was en de bewaringsrechter er daarom niet over mag oordelen. Eiser is vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid van de Vw, omdat eisers identiteit niet onmiddellijk kan worden vastgesteld. Dit is de juiste grondslag en de rechtbank ziet geen gebrek in deze gang van zaken. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag
7. De minister heeft bij besluit van 4 maart 2025 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld en staat dus in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
8. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
9. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is op 30 april 2025 in bewaring gesteld, het enkel voeren van een vertrekgesprek op 6 mei 2025 volstaat niet. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Stukken waaruit het zicht op uitzetting blijkt ontbreken in het dossier. Daarnaast is het de gemachtigde van eiser ambtshalve bekend dat een Dublinoverdracht van een andere vreemdeling aan Kroatië recent is uitgesteld vanwege personeelsgebrek. De verwachting is dan ook dat ook eiser niet op korte termijn aan Kroatië kan worden overgedragen.
11. Door de minister is ter zitting toegelicht dat naast het vertrekgesprek op 6 mei 2025, op diezelfde dag een terugkeer- en overnameverzoek aan Kroatië is opgesteld en aan de betreffende afdeling is gestuurd. Het opstarten van de terugkeerprocedure is in het vertrekgesprek van 6 mei 2025 aan eiser medegedeeld. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. Dat geen zicht op uitzetting bestaat volgt de rechtbank evenmin. Eiser is geen Dublinclaimant maar een Kroaat, en de rechtbank ziet geen aanleiding voor het vermoeden dat Kroatië niet meewerkend zal zijn aan de terugname van zijn eigen burger. Daar komt bij dat eiser niet meewerkend is. De tijdens het vertrekgesprek van 6 mei 2025 gedane toezegging contact op te gaan nemen met de Kroatische autoriteiten, is eiser niet nagekomen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemeen Plaatselijke Verordening.