Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
)
Rechtbank Den Haag
De minister legde op 27 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op 18 maart 2025 op en overhandigde een voortgangsrapportage.
De rechtbank toetste het voortduren van de bewaring vanaf 7 februari 2025, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek, en concludeerde dat de maatregel rechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat de minister niet verplicht was in de voortgangsrapportage schriftelijk te motiveren waarom geen lichter middel werd toegepast, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad.
Verder stelde eiser dat onvoldoende voortvarendheid bestond bij de uitzetting en dat zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank constateerde dat de minister adequaat handelde: er werd gerappelleerd op de laissez-passer-aanvraag, de nationaliteit werd bevestigd, en er vonden vertrekgesprekken plaats. Eiser vertrok vrijwillig met IOM waarna de bewaring werd opgeheven.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.