ECLI:NL:RBDHA:2025:8673
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 december 2024 waarin hij werd geweigerd voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om opschorting van de terugkeerplicht naar Turkije te bewerkstelligen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht binnen een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, waardoor werd aangenomen dat het ging om opschorting van de terugkeerplicht.
Verzoekers beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije was niet onderbouwd en hij maakte geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en het bezwaar ongegrond verklaard met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.