ECLI:NL:RBDHA:2025:8706

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen twee weken alsnog besluit nemen op aanvraag machtiging verblijf

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf van 2 augustus 2023. In een eerdere procedure heeft de rechtbank de minister al opgedragen vóór 1 april 2025 een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding.

De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, waarna eisers een tweede beroep instelden. De rechtbank oordeelt dat dit beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. De rechtbank verhoogt de dwangsom naar € 200,- per dag met een maximum van € 15.000,-, ingaande vanaf 17 juni 2025, nadat de eerdere dwangsom volledig is volgelopen.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De minister moet binnen twee weken een besluit nemen en betaalt een verhoogde dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure (NL24.7320), heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest voor 1 april 2025 alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, zij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf van 2 augustus 2023.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat zij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. [2] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [3]
3. In de uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank de minister opgedragen voor 1 april 2025 een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft niet voor 1 april 2025 een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. In de uitspraak van 8 oktober 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. [4] De minister heeft niet binnen deze termijn beslist. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister opnieuw te volgen in de datum waarop zij verwacht de aanvraag van eisers in behandeling te nemen, zoals vermeld in haar verweerschrift van 2 mei 2025, omdat die datum zonder nadere toelichting afwijkt van de in de vorige procedure opgegeven datum. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De termijn begint op de dag na bekendmaken van deze uitspraak.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om de dwangsom te verhogen. De rechtbank heeft de minister al eerder een beslistermijn gesteld, zonder dat de minister een beslissing heeft genomen. De rechtbank bepaalt dat, als de minister niet binnen twee weken een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. [5]
7. Omdat de bij uitspraak van 8 oktober 2024 opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet volledig is volgelopen, oordeelt de rechtbank dat de bij onderhavige uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom volledig is volgelopen. De bij uitspraak van 8 oktober 2024 opgelegde rechterlijke dwangsom is aangevangen op 2 april 2025 en eindigt op 16 juni 2025. Dit betekent dat de bij deze uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt op
17 juni 2025.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister twee weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. [6] De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers met ingang van 17 juni 2025 een dwangsom van
€ 200,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
4.Overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13031.
5.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
6.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.